Remvertraging bedrijfsrem

Artikel 5.12.38

Actuele regelgeving

  1. 1.

    Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,0 m/s² bedraagt. Bij controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in Aanvullende permanente eisen, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
    Aanvullende permanente eisen
    Hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2

    Hoofdstuk 1. Voertuigeisen

    Titel 7. Reminrichting

    Afdeling 2. Remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens

    § 1.Wijze van bepaling van remvertraging

    Artikel 57 Wijze van bepaling remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens

    1. De controle van de remvertraging van personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens vindt plaats door middel van een beproeving op de weg met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter dan wel door middel van een beproeving van het voertuig op een platenremtestbank of een rollenremtestbank.
    2. Bij het gebruik van de meetmiddelen, genoemd in het eerste lid, wordt de pedaalkracht alleen in geval van twijfel gemeten met een pedaalkrachtmeter.
    3. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsbewijs moet, in afwijking van het eerste lid, bij voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg de controle van de remvertraging plaatsvinden door middel van de in paragraaf 3 van deze afdeling omschreven beproeving van het voertuig op een platenremtestbank of door middel van de in paragraaf 2.1 van deze afdeling omschreven beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank.
    4. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsbewijs moet, in afwijking van het eerste lid, bij voertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg alsmede bij aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg de controle van de remvertraging plaatsvinden door middel van de in paragraaf 2.1, respectievelijk paragraaf 2.2 van deze afdeling omschreven beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank.
    5. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op voertuigen waarbij het om technische redenen niet mogelijk is het voertuig op een rollenremtestbank of platenremtestbank te remmen. Hieronder worden onder andere verstaan:
      1. voertuigen die breder zijn dan 2,60 m;
      2. voertuigen met een zodanig kleine wieldiameter dat beproeving niet mogelijk is;
      3. voertuigen die zijn voorzien van een permanente, niet automatische of met de hand uitschakelbare aandrijving op meer dan één as;
      4. aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg met één of meerdere achter elkaar gelegen aslijnen en waarbij één of meerdere aslijnen bestaan uit twee in elkaars verlengde gelegen enkele assen.

    Artikel 58 Pedaal- en remkrachten

    De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).

    § 2.Rollenremtestbank
    § 2.1. Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg

    Artikel 59 Bepalen van de remvertraging

    1. Voor het bepalen van de remvertraging:
      1. moeten per as de maximale remkrachten aan de wielen met, indien vereist, de bijbehorende pedaalkrachten worden vastgesteld;
      2. moeten de remkrachten van de voorste as en de achterste as of het achterste asstel bij elkaar worden opgeteld en vervolgens worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg. De uitkomst wordt met een factor 10 vermenigvuldigd en het resultaat wordt gelezen als procenten ' relatieve beremming';
      3. moet met behulp van de gevonden waarden 'relatieve beremming' en ' pedaalkracht op de voorste as', aan de hand van de bij dit artikel behorende tabel 2 worden beoordeeld of de remwerking voldoende is;
      4. moet indien de gevonden waarden niet leiden tot een directe beslissing, een remproef op de weg plaatsvinden.
    2. Bij de beoordeling van het eerste lid, onderdeel d, wordt gebruik gemaakt van een geschikte remvertragingsmeter, indien deze aanwezig is. De remvertraging met de bijbehorende pedaalkracht wordt beoordeeld even voor het moment van blokkeren van één of meer wielen van het voertuig.
    3. Voertuigen in gebruik genomen vóór 01 juli 1967, waarop tabel 2 niet van toepassing is, moeten voldoen aan de voor het betrokken voertuig bepaalde remvertraging.
    Tabel 2, remtest op een rollenremtestbank

    Artikel 60 Bepalen van de remkrachten bedrijfsrem

    1. Voor het bepalen van de maximale remkrachten, bedoeld in artikel 59, onderdeel a, is het volgende van toepassing:
      1. de pedaalkracht die bij de voorste as wordt gebruikt, hoeft niet dezelfde te zijn als die van de achterste as of het achterste asstel;
      2. bij de remtest wordt het rempedaal langzaam ingetrapt en op het moment van aflezen vastgehouden;
      3. de maximale remkracht wordt bereikt wanneer:
        1. in een personenauto in gebruik genomen na 30 juni 1967, een pedaalkracht van 500 N wordt uitgeoefend;
        2. in een bedrijfsauto of bus in gebruik genomen na 30 juni 1967, een pedaalkracht van 700 N wordt uitgeoefend;
        3. één of meer wielen van het voertuig blokkeren, of
        4. de rollenremtestbank afslaat.
    2. Indien de remkracht op één wiel tussen twee waarden schommelt of de remkrachten op beide wielen tussen twee waarden schommelen, worden per wiel de minimale en maximale remkracht gemiddeld en wordt dit gemiddelde gebruikt als de remkracht voor dat wiel.

    Artikel 61 Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem

    Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.

    Artikel 63 Bepalen remvertraging parkeerrem

    Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.

    § 2.2. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen

    Artikel 64 Gebruik van de rollenremtestbank

    1. De beproeving wordt uitgevoerd volgens de procedure zoals beschreven in de gebruiksaanwijzing van de rollenremtestbank.
    2. Het resultaat van de rembeproeving wordt op een printuitdraai van de rollenremtestbank gepresenteerd en aan de hand van de gepresenteerde gegevens wordt bepaald of het voertuig voldoet aan de wettelijke remvertraging.
    3. Indien de beproeving niet kan worden uitgevoerd volgens de procedure zoals beschreven in de gebruiksaanwijzing van de rollenremtestbank, wordt de remvertraging bepaald door:
      1. per as de maximale remkrachten vast te stellen, en
      2. de totale remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.

    Artikel 65 Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem

    1. De extrapolatiedruk bij bedrijfsauto’s en bussen wordt gesteld op 7,0 bar, tenzij uit documentatie van de voertuigfabrikant of de gegevens op de ALR/ABS-EBS plaat wordt aangetoond dat deze druk hoger is. De extrapolatiedruk voor die as is dan gelijk aan deze hogere druk.
    2. De extrapolatiedruk van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2012 wordt gesteld op 6,5 bar. De extrapolatiedruk van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 2011 wordt gesteld op 7,0 bar. Indien het een aanhangwagen betreft met een éénleidingremsysteem, wordt de extrapolatiedruk gesteld op 4,5 bar.

    Artikel 66 Bepaling remkrachten bedrijfsrem

    Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:

    1. de pedaalkracht respectievelijk de remdruk hoeft niet bij alle assen gelijk te zijn;
    2. bij de remtest moet het rempedaal langzaam worden ingetrapt en kort voor het bereiken van de blokkeergrens enige tijd worden vastgehouden, de aanwijzingen van de remtestinrichting moeten worden opgevolgd;
    3. de maximale remkracht wordt bereikt wanneer:
      1. een pedaalkracht van 700 N wordt uitgeoefend, dan wel de maximale remcilinderdruk wordt bereikt;
      2. één of meer wielen van het voertuig blokkeren, of
      3. de rollenremtestbank afslaat.

    Artikel 67 Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem

    Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.

    Artikel 68 Bepalen remvertraging parkeerrem

    Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg.

    § 2.3. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten

    Artikel 69 Referentieremkracht

    De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s² in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s² in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.

    Artikel 70 Bepalen remvertraging bedrijfsrem

    1. De referentiewaarden worden vastgesteld bij de door de fabrikant opgegeven druk in de luchtdrukremcilinders die zo dicht mogelijk ligt bij de druk in de luchtdrukremcilinder op het moment van slip, maar tenminste bij een druk van 2,5 bar.
    2. Indien de referentieremkrachten door de fabrikant zijn vastgesteld bij een remvertraging van 5,0 m/s², worden de referentieremkrachten, indien van toepassing, herberekend met de factor 4,5/5,0. Indien de referentieremkrachten, indien van toepassing, voor een oplegger zijn vastgesteld bij een remvertraging van 4,5m/s², worden de referentieremkrachten herberekend met de factor 4,0/4,5.
    3. Met de door de fabrikant gegeven meetcondities en toleranties dient rekening te worden gehouden waarbij, indien vereist, specifieke gegevens worden vergeleken.

    Artikel 71 Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem

    Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.

    Artikel 72 Bepalen remvertraging parkeerrem

    Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.

    § 2.4. Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg

    Artikel 73 Bepaling remvertraging bedrijfsrem

    Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaatsvindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd:

    1. moeten, nadat de gesimuleerde belasting is aangebracht, per as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld;
    2. moet de bij de remproef behaalde remvertraging worden berekend door de remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa onder de assen.

    Artikel 74 Bepaling remkrachten bedrijfsrem

    1. Bij de vaststelling van de maximale remkrachten, bedoeld in artikel 73, moet het volgende in acht worden genomen:
      1. bij de remtest moet de remwerking door middel van het activeren van de remmodule (EBC) langzaam worden opgevoerd en op het moment van aflezen worden vastgehouden;
      2. de maximale remkracht wordt bereikt wanneer:
        1. één of meer wielen van het voertuig blokkeren, of
        2. de rollenremtestbank afslaat.
    2. Indien de wielen niet blokkeren of de rollenremtestbank niet afslaat bij de maximale remkracht gelden de dan afgelezen remkrachten als maximale remkrachten.
    3. Indien de remkracht op één wiel tussen twee waarden schommelt of de remkrachten op beide wielen van een as tussen twee waarden schommelen, moeten per wiel de minimale en maximale remkracht worden gemiddeld en wordt dit gemiddelde gebruikt als remkracht voor dat wiel.

    Artikel 75 Maximale remkrachten bedrijfsrem:

    Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.

    Artikel 76 Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem

    1. Voor de toepassing van de formule wordt verstaan onder:
    2.   a vol = berekende relatieve remvertraging;
       F b(n) = som van de remkrachten aan de wielen per as ‘n’;
       m max = maximale massa onder de assen;

    3. Van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg moet de vaststelling van de remvertraging van de bedrijfsrem plaatsvinden volgens de volgende formule:
    formule artikel 76

    § 3. Platenremtestbank

    § 3.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg

    Artikel 77 Bepalen remvertraging

    Voor het bepalen van de remvertraging:

    1. moet gebruik worden gemaakt van een pedaalkrachtmeter waarbij het mogelijk is om, door middel van arreteerstand, na afloop van de remproef de daarbij gebruikte pedaalkracht af te lezen;
    2. moet de snelheid bij de aanvang van de remproef ongeveer 10 km/h bedragen;
    3. moeten de remkrachten worden vastgesteld direct vóór het moment van blokkeren van één of meer wielen van het voertuig;
    4. moet de remproef op iedere as twee maal worden uitgevoerd. Indien de met deze proeven behaalde remkrachten aan de wielen per as, mede gelet op de gebruikte pedaalkracht, nagenoeg gelijk zijn, worden deze gebruikt voor het bepalen van de remvertraging. Indien de met deze proeven behaalde remkrachten aan de wielen per as niet nagenoeg gelijk zijn, moet per as een derde remproef worden uitgevoerd. De behaalde remkrachten aan de wielen van deze laatste proef en van de voorgaande proef die de behaalde remkrachten aan de wielen het dichtst benadert, worden gebruikt voor het bepalen van de remvertraging;
    5. moeten de remkrachten, die aldus zijn verkregen uit twee remproeven per as, bij elkaar worden opgeteld en worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand, vermenigvuldigd met twee. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet worden gerekend met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg en vermenigvuldigd met twee.

    Artikel 78 Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem

    Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:

    1. kunnen de resultaten van de remproeven voor het bepalen van de remvertraging van de bedrijfsrem worden gebruikt;
    2. moet de beoordeling van de resultaten geschieden aan de hand van de bij dit artikel behorende tabel 3, waarin de vermelde percentages zijn gerelateerd aan de hoogst gemeten remkracht.
    Tabel 3 Verschil in remwerking links en rechts op platenremtestbank DocumentTabel 3. Verschil in remwerking links en rechts op platenremtestbank (pdf, 7kb) 

     

    Artikel 81 Bepalen remvertraging parkeerrem

    Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:

    1. moet de snelheid bij de aanvang van de remproef ongeveer 10 km/h bedragen;
    2. moet het voertuig aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan;
    3. moeten de bij de remproef aan de wielen behaalde remkrachten worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet worden gerekend met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.

    § 4. Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter

    § 4.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus

    Artikel 82 Pedaalkracht bedrijfsrem

    Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.

    Artikel 83 Bepalen remvertraging

    De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:

    1. indien door de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de minimaal behaalde remvertraging;
    2. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten remvertragingen, die gelijk of groter zijn aan de minimaal vereiste remvertraging en gedurende minimaal een halve seconde zijn gemeten;
    3. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a of b kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld:
      1. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging bepalend;
      2. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend.

    Artikel 84 Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem

    Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg:

    1. moet in geval van een personenauto geremd worden tot de hoogst bereikbare remvertraging, met een maximum van 8 m/s²;
    2. moet in geval van een bedrijfsauto of bus geremd worden tot de minimaal vereiste remvertraging, zoals voor de betreffende voertuigcategorie is vermeld in hoofdstuk 5 van deze regeling;
    3. is het gebruik van een remvertragingsmeter niet noodzakelijk.

    Artikel 85 Bepalen remvertraging parkeerrem

    De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.

    § 4.2. Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg

    Artikel 86 Voorwaarden beproeving bedrijfsrem

    1. De bedrijfsrem van de aanhangwagen moet regelbaar en onafhankelijk van het trekkende motorvoertuig kunnen worden bediend. Dit geschiedt door middel van de strekrem die de volledige druk van de bedrijfsrem kan doorsturen of met behulp van een inrichting waarmee vanuit het trekkende motorvoertuig door middel van de bedrijfsrem van de aanhangwagen het samenstel van voertuigen kan worden afgeremd, waarbij het functioneren van de bedrijfsrem van het samenstel niet mag worden beïnvloed.
    2. De gewichtsverhouding tussen het trekkende motorvoertuig en de aanhangwagen mag niet extreem groot zijn.

    Artikel 87 Bepalen remvertraging bedrijfsrem

    Bij het bepalen van de remvertraging moet het volgende in acht worden genomen:

    1. de ingestuurde druk door middel van de strekrem of de inrichting, bedoeld in artikel 86, eerste lid, moet worden opgevoerd tot de blokkeergrens van één of meer wielen, waarna met een iets lagere druk de remvertraging wordt geregistreerd;
    2. indien door de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de gemiddelde remvertraging van de combinatie;
    3. indien de remvertraging niet volgens onderdeel b kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten remvertragingen die gedurende minimaal een halve seconde zijn gemeten;
    4. indien de remvertraging niet volgens de onderdelen b of c kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld:
      1. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging bepalend;
      2. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend.

    Artikel 88 Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem

    De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
    Formule artikel 88

    Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    • aahw = remvertraging aanhangwagen;
    • a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
    • m tot.geremd = de in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig is vermeld, geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de totale gemeten massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;
    • m ahw = de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig of, anders dan bij de perodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.
    Toelichting

    Remproef algemeen

    Het voertuig moet in de rollenremtestbank kunnen dan wel op de platenremtestbank passen. Het voertuig moet in voorwaartse rijrichting getest worden. Als de remmentestbank na de remproef een resultaat aangeeft, is de remtest geslaagd. Voor de platenremtestbank maakt het niet uit als er (delen van) banden buiten/binnen de remplaten uitsteken.

    Remkracht per wiel en per as

    Per wiel moet u vaststellen of de rem werkt. Daarnaast moet u per as het remverschil bepalen. Dus elke as moet u apart op de remmentestbank testen. (RV artikel 5.*.38) (APE Hoofdstuk 1, afdeling 2).

    Demonteren wielen

    Buiten aanhangwagens mag u geen wielen van het voertuig demonteren om de remtest te kunnen uitvoeren.

    Gebruik remvertragingsmeter

    In de onderstaande gevallen mag u een remproef op de weg uitvoeren met behulp van een goedgekeurde remvertragingsmeter:

    1. Als het voertuig te laag is om op een remmentestbank te worden getest.
    2. Als het voertuig breder is dan 2,60 m.
    3. Als het voertuig een permanente niet-uitschakelbare vierwielaandrijving heeft.
    4. Als het voertuig een te kleine wieldiameter heeft om op de rollenremtestbank te worden geremd.
    5. Als het niet mogelijk is om elke as van een asstel afzonderlijk te remmen op een remmentestbank.
    6. Als het om een aanhangwagen gaat met in elkaars verlengde pendelassen (diepladers)
    Maximum massa personenauto

    De ledige massa van een personenauto bepaalt of het een APK1- of een APK2-voertuig is. Een personenauto met een ledige massa beneden de 3500 kg en een maximum massa boven 3500 kg is een APK2-voertuig en moet door een APK2-erkenninghouder worden gekeurd. Een platenremtestbank is een goedgekeurd meetmiddel voor APK2-keuringen. In de APE, hoofdstuk 1, afdeling 2, is aangegeven dat een platenremtestbank een beperking heeft tot een toegestane massa voertuig van 3500 kg. Dit kan  een probleem zijn bij personenauto's omdat de maximum massa niet altijd bekend is. Is het een APK2-voertuig, ledige massa ≤ 3500 kg, dan mag u deze wel op een platenremtestbank testen.  

    Maximale remkrachten buiten meetbereik van de remmentestbank

    Soms komt het voor dat de remkracht die het voertuig opbrengt groter is dan de maximale remkracht waarden die een remmentestbank op de schaal (meetbereik) kan aangeven. Als de remvertraging wordt gehaald met de remkracht die de remmentestbank maximaal kan aangeven, is het akkoord. Als de remvertraging niet wordt gehaald dan mag u het voertuig niet keuren en moet u het voertuig op een remmentestbank met een groter meetbereik testen.

    Remvertraging hydromotor

    Bedrijfsauto’s  met een hydromotor (zoals veegwagens) halen de vereiste remvertraging soms niet als u op een rollenremtestbank remt. Deze voertuigen mag u daarom op de weg remmen. U  moet daarbij gebruik maken van een goedgekeurde remvertragingsmeter. Bij het vaststellen van de remvertraging wordt de afremming door de hydromotor meegenomen.

    Tandemstel voorzien van  een voorloop- of sleepas met kleine(re) wielen

    Deze assen kunt u vaak niet remmen op een rollenremtestbank omdat de wielen te klein zijn en te weinig last op de betreffende as aanwezig is. De remvertraging van deze voorloop- of sleepas mag u daarom buiten beschouwing laten. Het is niet toegestaan om de maximummassa van het voertuig te verlagen met de maximummassa van de voorloopas. De remmen van de voorloop- of sleeppas moeten wel werken.

    Remproef van een trike op een remmentestbank

    Als u de remvertraging van een trike vaststelt met behulp van een remmentestbank dan is het bepalen van de remvertraging op de achteras voldoende. Als de remvertraging wordt gehaald, kunt u het voertuig goedkeuren. De voorwielrem moet wel werken. Als de vereiste remvertraging niet wordt gehaald, kunt u met een goedgekeurde remvertragingsmeter een remproef op de weg uitvoeren.

  2. 2.

    Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 31 december 1997 doch voor 1 januari 2012, en opleggers in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in Aanvullende permanente eisen, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
    Aanvullende permanente eisen
    Hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2

    Hoofdstuk 1. Voertuigeisen

    Titel 7. Reminrichting

    Afdeling 2. Remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens

    § 1.Wijze van bepaling van remvertraging

    Artikel 57 Wijze van bepaling remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens

    1. De controle van de remvertraging van personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens vindt plaats door middel van een beproeving op de weg met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter dan wel door middel van een beproeving van het voertuig op een platenremtestbank of een rollenremtestbank.
    2. Bij het gebruik van de meetmiddelen, genoemd in het eerste lid, wordt de pedaalkracht alleen in geval van twijfel gemeten met een pedaalkrachtmeter.
    3. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsbewijs moet, in afwijking van het eerste lid, bij voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg de controle van de remvertraging plaatsvinden door middel van de in paragraaf 3 van deze afdeling omschreven beproeving van het voertuig op een platenremtestbank of door middel van de in paragraaf 2.1 van deze afdeling omschreven beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank.
    4. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsbewijs moet, in afwijking van het eerste lid, bij voertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg alsmede bij aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg de controle van de remvertraging plaatsvinden door middel van de in paragraaf 2.1, respectievelijk paragraaf 2.2 van deze afdeling omschreven beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank.
    5. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op voertuigen waarbij het om technische redenen niet mogelijk is het voertuig op een rollenremtestbank of platenremtestbank te remmen. Hieronder worden onder andere verstaan:
      1. voertuigen die breder zijn dan 2,60 m;
      2. voertuigen met een zodanig kleine wieldiameter dat beproeving niet mogelijk is;
      3. voertuigen die zijn voorzien van een permanente, niet automatische of met de hand uitschakelbare aandrijving op meer dan één as;
      4. aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg met één of meerdere achter elkaar gelegen aslijnen en waarbij één of meerdere aslijnen bestaan uit twee in elkaars verlengde gelegen enkele assen.

    Artikel 58 Pedaal- en remkrachten

    De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).

    § 2.Rollenremtestbank
    § 2.1. Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg

    Artikel 59 Bepalen van de remvertraging

    1. Voor het bepalen van de remvertraging:
      1. moeten per as de maximale remkrachten aan de wielen met, indien vereist, de bijbehorende pedaalkrachten worden vastgesteld;
      2. moeten de remkrachten van de voorste as en de achterste as of het achterste asstel bij elkaar worden opgeteld en vervolgens worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg. De uitkomst wordt met een factor 10 vermenigvuldigd en het resultaat wordt gelezen als procenten ' relatieve beremming';
      3. moet met behulp van de gevonden waarden 'relatieve beremming' en ' pedaalkracht op de voorste as', aan de hand van de bij dit artikel behorende tabel 2 worden beoordeeld of de remwerking voldoende is;
      4. moet indien de gevonden waarden niet leiden tot een directe beslissing, een remproef op de weg plaatsvinden.
    2. Bij de beoordeling van het eerste lid, onderdeel d, wordt gebruik gemaakt van een geschikte remvertragingsmeter, indien deze aanwezig is. De remvertraging met de bijbehorende pedaalkracht wordt beoordeeld even voor het moment van blokkeren van één of meer wielen van het voertuig.
    3. Voertuigen in gebruik genomen vóór 01 juli 1967, waarop tabel 2 niet van toepassing is, moeten voldoen aan de voor het betrokken voertuig bepaalde remvertraging.
    Tabel 2, remtest op een rollenremtestbank

    Artikel 60 Bepalen van de remkrachten bedrijfsrem

    1. Voor het bepalen van de maximale remkrachten, bedoeld in artikel 59, onderdeel a, is het volgende van toepassing:
      1. de pedaalkracht die bij de voorste as wordt gebruikt, hoeft niet dezelfde te zijn als die van de achterste as of het achterste asstel;
      2. bij de remtest wordt het rempedaal langzaam ingetrapt en op het moment van aflezen vastgehouden;
      3. de maximale remkracht wordt bereikt wanneer:
        1. in een personenauto in gebruik genomen na 30 juni 1967, een pedaalkracht van 500 N wordt uitgeoefend;
        2. in een bedrijfsauto of bus in gebruik genomen na 30 juni 1967, een pedaalkracht van 700 N wordt uitgeoefend;
        3. één of meer wielen van het voertuig blokkeren, of
        4. de rollenremtestbank afslaat.
    2. Indien de remkracht op één wiel tussen twee waarden schommelt of de remkrachten op beide wielen tussen twee waarden schommelen, worden per wiel de minimale en maximale remkracht gemiddeld en wordt dit gemiddelde gebruikt als de remkracht voor dat wiel.

    Artikel 61 Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem

    Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.

    Artikel 63 Bepalen remvertraging parkeerrem

    Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.

    § 2.2. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen

    Artikel 64 Gebruik van de rollenremtestbank

    1. De beproeving wordt uitgevoerd volgens de procedure zoals beschreven in de gebruiksaanwijzing van de rollenremtestbank.
    2. Het resultaat van de rembeproeving wordt op een printuitdraai van de rollenremtestbank gepresenteerd en aan de hand van de gepresenteerde gegevens wordt bepaald of het voertuig voldoet aan de wettelijke remvertraging.
    3. Indien de beproeving niet kan worden uitgevoerd volgens de procedure zoals beschreven in de gebruiksaanwijzing van de rollenremtestbank, wordt de remvertraging bepaald door:
      1. per as de maximale remkrachten vast te stellen, en
      2. de totale remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.

    Artikel 65 Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem

    1. De extrapolatiedruk bij bedrijfsauto’s en bussen wordt gesteld op 7,0 bar, tenzij uit documentatie van de voertuigfabrikant of de gegevens op de ALR/ABS-EBS plaat wordt aangetoond dat deze druk hoger is. De extrapolatiedruk voor die as is dan gelijk aan deze hogere druk.
    2. De extrapolatiedruk van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2012 wordt gesteld op 6,5 bar. De extrapolatiedruk van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 2011 wordt gesteld op 7,0 bar. Indien het een aanhangwagen betreft met een éénleidingremsysteem, wordt de extrapolatiedruk gesteld op 4,5 bar.

    Artikel 66 Bepaling remkrachten bedrijfsrem

    Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:

    1. de pedaalkracht respectievelijk de remdruk hoeft niet bij alle assen gelijk te zijn;
    2. bij de remtest moet het rempedaal langzaam worden ingetrapt en kort voor het bereiken van de blokkeergrens enige tijd worden vastgehouden, de aanwijzingen van de remtestinrichting moeten worden opgevolgd;
    3. de maximale remkracht wordt bereikt wanneer:
      1. een pedaalkracht van 700 N wordt uitgeoefend, dan wel de maximale remcilinderdruk wordt bereikt;
      2. één of meer wielen van het voertuig blokkeren, of
      3. de rollenremtestbank afslaat.

    Artikel 67 Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem

    Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.

    Artikel 68 Bepalen remvertraging parkeerrem

    Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg.

    § 2.3. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten

    Artikel 69 Referentieremkracht

    De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s² in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s² in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.

    Artikel 70 Bepalen remvertraging bedrijfsrem

    1. De referentiewaarden worden vastgesteld bij de door de fabrikant opgegeven druk in de luchtdrukremcilinders die zo dicht mogelijk ligt bij de druk in de luchtdrukremcilinder op het moment van slip, maar tenminste bij een druk van 2,5 bar.
    2. Indien de referentieremkrachten door de fabrikant zijn vastgesteld bij een remvertraging van 5,0 m/s², worden de referentieremkrachten, indien van toepassing, herberekend met de factor 4,5/5,0. Indien de referentieremkrachten, indien van toepassing, voor een oplegger zijn vastgesteld bij een remvertraging van 4,5m/s², worden de referentieremkrachten herberekend met de factor 4,0/4,5.
    3. Met de door de fabrikant gegeven meetcondities en toleranties dient rekening te worden gehouden waarbij, indien vereist, specifieke gegevens worden vergeleken.

    Artikel 71 Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem

    Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.

    Artikel 72 Bepalen remvertraging parkeerrem

    Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.

    § 2.4. Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg

    Artikel 73 Bepaling remvertraging bedrijfsrem

    Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaatsvindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd:

    1. moeten, nadat de gesimuleerde belasting is aangebracht, per as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld;
    2. moet de bij de remproef behaalde remvertraging worden berekend door de remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa onder de assen.

    Artikel 74 Bepaling remkrachten bedrijfsrem

    1. Bij de vaststelling van de maximale remkrachten, bedoeld in artikel 73, moet het volgende in acht worden genomen:
      1. bij de remtest moet de remwerking door middel van het activeren van de remmodule (EBC) langzaam worden opgevoerd en op het moment van aflezen worden vastgehouden;
      2. de maximale remkracht wordt bereikt wanneer:
        1. één of meer wielen van het voertuig blokkeren, of
        2. de rollenremtestbank afslaat.
    2. Indien de wielen niet blokkeren of de rollenremtestbank niet afslaat bij de maximale remkracht gelden de dan afgelezen remkrachten als maximale remkrachten.
    3. Indien de remkracht op één wiel tussen twee waarden schommelt of de remkrachten op beide wielen van een as tussen twee waarden schommelen, moeten per wiel de minimale en maximale remkracht worden gemiddeld en wordt dit gemiddelde gebruikt als remkracht voor dat wiel.

    Artikel 75 Maximale remkrachten bedrijfsrem:

    Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.

    Artikel 76 Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem

    1. Voor de toepassing van de formule wordt verstaan onder:
    2.   a vol = berekende relatieve remvertraging;
       F b(n) = som van de remkrachten aan de wielen per as ‘n’;
       m max = maximale massa onder de assen;

    3. Van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg moet de vaststelling van de remvertraging van de bedrijfsrem plaatsvinden volgens de volgende formule:
    formule artikel 76

    § 3. Platenremtestbank

    § 3.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg

    Artikel 77 Bepalen remvertraging

    Voor het bepalen van de remvertraging:

    1. moet gebruik worden gemaakt van een pedaalkrachtmeter waarbij het mogelijk is om, door middel van arreteerstand, na afloop van de remproef de daarbij gebruikte pedaalkracht af te lezen;
    2. moet de snelheid bij de aanvang van de remproef ongeveer 10 km/h bedragen;
    3. moeten de remkrachten worden vastgesteld direct vóór het moment van blokkeren van één of meer wielen van het voertuig;
    4. moet de remproef op iedere as twee maal worden uitgevoerd. Indien de met deze proeven behaalde remkrachten aan de wielen per as, mede gelet op de gebruikte pedaalkracht, nagenoeg gelijk zijn, worden deze gebruikt voor het bepalen van de remvertraging. Indien de met deze proeven behaalde remkrachten aan de wielen per as niet nagenoeg gelijk zijn, moet per as een derde remproef worden uitgevoerd. De behaalde remkrachten aan de wielen van deze laatste proef en van de voorgaande proef die de behaalde remkrachten aan de wielen het dichtst benadert, worden gebruikt voor het bepalen van de remvertraging;
    5. moeten de remkrachten, die aldus zijn verkregen uit twee remproeven per as, bij elkaar worden opgeteld en worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand, vermenigvuldigd met twee. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet worden gerekend met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg en vermenigvuldigd met twee.

    Artikel 78 Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem

    Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:

    1. kunnen de resultaten van de remproeven voor het bepalen van de remvertraging van de bedrijfsrem worden gebruikt;
    2. moet de beoordeling van de resultaten geschieden aan de hand van de bij dit artikel behorende tabel 3, waarin de vermelde percentages zijn gerelateerd aan de hoogst gemeten remkracht.
    Tabel 3 Verschil in remwerking links en rechts op platenremtestbank DocumentTabel 3. Verschil in remwerking links en rechts op platenremtestbank (pdf, 7kb) 

     

    Artikel 81 Bepalen remvertraging parkeerrem

    Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:

    1. moet de snelheid bij de aanvang van de remproef ongeveer 10 km/h bedragen;
    2. moet het voertuig aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan;
    3. moeten de bij de remproef aan de wielen behaalde remkrachten worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet worden gerekend met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.

    § 4. Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter

    § 4.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus

    Artikel 82 Pedaalkracht bedrijfsrem

    Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.

    Artikel 83 Bepalen remvertraging

    De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:

    1. indien door de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de minimaal behaalde remvertraging;
    2. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten remvertragingen, die gelijk of groter zijn aan de minimaal vereiste remvertraging en gedurende minimaal een halve seconde zijn gemeten;
    3. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a of b kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld:
      1. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging bepalend;
      2. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend.

    Artikel 84 Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem

    Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg:

    1. moet in geval van een personenauto geremd worden tot de hoogst bereikbare remvertraging, met een maximum van 8 m/s²;
    2. moet in geval van een bedrijfsauto of bus geremd worden tot de minimaal vereiste remvertraging, zoals voor de betreffende voertuigcategorie is vermeld in hoofdstuk 5 van deze regeling;
    3. is het gebruik van een remvertragingsmeter niet noodzakelijk.

    Artikel 85 Bepalen remvertraging parkeerrem

    De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.

    § 4.2. Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg

    Artikel 86 Voorwaarden beproeving bedrijfsrem

    1. De bedrijfsrem van de aanhangwagen moet regelbaar en onafhankelijk van het trekkende motorvoertuig kunnen worden bediend. Dit geschiedt door middel van de strekrem die de volledige druk van de bedrijfsrem kan doorsturen of met behulp van een inrichting waarmee vanuit het trekkende motorvoertuig door middel van de bedrijfsrem van de aanhangwagen het samenstel van voertuigen kan worden afgeremd, waarbij het functioneren van de bedrijfsrem van het samenstel niet mag worden beïnvloed.
    2. De gewichtsverhouding tussen het trekkende motorvoertuig en de aanhangwagen mag niet extreem groot zijn.

    Artikel 87 Bepalen remvertraging bedrijfsrem

    Bij het bepalen van de remvertraging moet het volgende in acht worden genomen:

    1. de ingestuurde druk door middel van de strekrem of de inrichting, bedoeld in artikel 86, eerste lid, moet worden opgevoerd tot de blokkeergrens van één of meer wielen, waarna met een iets lagere druk de remvertraging wordt geregistreerd;
    2. indien door de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de gemiddelde remvertraging van de combinatie;
    3. indien de remvertraging niet volgens onderdeel b kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten remvertragingen die gedurende minimaal een halve seconde zijn gemeten;
    4. indien de remvertraging niet volgens de onderdelen b of c kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld:
      1. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging bepalend;
      2. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend.

    Artikel 88 Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem

    De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
    Formule artikel 88

    Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    • aahw = remvertraging aanhangwagen;
    • a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
    • m tot.geremd = de in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig is vermeld, geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de totale gemeten massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;
    • m ahw = de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig of, anders dan bij de perodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.
    Toelichting

    Remproef algemeen

    Het voertuig moet in de rollenremtestbank kunnen dan wel op de platenremtestbank passen. Het voertuig moet in voorwaartse rijrichting getest worden. Als de remmentestbank na de remproef een resultaat aangeeft, is de remtest geslaagd. Voor de platenremtestbank maakt het niet uit als er (delen van) banden buiten/binnen de remplaten uitsteken.

    Remkracht per wiel en per as

    Per wiel moet u vaststellen of de rem werkt. Daarnaast moet u per as het remverschil bepalen. Dus elke as moet u apart op de remmentestbank testen. (RV artikel 5.*.38) (APE Hoofdstuk 1, afdeling 2).

    Demonteren wielen

    Buiten aanhangwagens mag u geen wielen van het voertuig demonteren om de remtest te kunnen uitvoeren.

    Gebruik remvertragingsmeter

    In de onderstaande gevallen mag u een remproef op de weg uitvoeren met behulp van een goedgekeurde remvertragingsmeter:

    1. Als het voertuig te laag is om op een remmentestbank te worden getest.
    2. Als het voertuig breder is dan 2,60 m.
    3. Als het voertuig een permanente niet-uitschakelbare vierwielaandrijving heeft.
    4. Als het voertuig een te kleine wieldiameter heeft om op de rollenremtestbank te worden geremd.
    5. Als het niet mogelijk is om elke as van een asstel afzonderlijk te remmen op een remmentestbank.
    6. Als het om een aanhangwagen gaat met in elkaars verlengde pendelassen (diepladers)
    Maximum massa personenauto

    De ledige massa van een personenauto bepaalt of het een APK1- of een APK2-voertuig is. Een personenauto met een ledige massa beneden de 3500 kg en een maximum massa boven 3500 kg is een APK2-voertuig en moet door een APK2-erkenninghouder worden gekeurd. Een platenremtestbank is een goedgekeurd meetmiddel voor APK2-keuringen. In de APE, hoofdstuk 1, afdeling 2, is aangegeven dat een platenremtestbank een beperking heeft tot een toegestane massa voertuig van 3500 kg. Dit kan  een probleem zijn bij personenauto's omdat de maximum massa niet altijd bekend is. Is het een APK2-voertuig, ledige massa ≤ 3500 kg, dan mag u deze wel op een platenremtestbank testen.  

    Maximale remkrachten buiten meetbereik van de remmentestbank

    Soms komt het voor dat de remkracht die het voertuig opbrengt groter is dan de maximale remkracht waarden die een remmentestbank op de schaal (meetbereik) kan aangeven. Als de remvertraging wordt gehaald met de remkracht die de remmentestbank maximaal kan aangeven, is het akkoord. Als de remvertraging niet wordt gehaald dan mag u het voertuig niet keuren en moet u het voertuig op een remmentestbank met een groter meetbereik testen.

    Remvertraging hydromotor

    Bedrijfsauto’s  met een hydromotor (zoals veegwagens) halen de vereiste remvertraging soms niet als u op een rollenremtestbank remt. Deze voertuigen mag u daarom op de weg remmen. U  moet daarbij gebruik maken van een goedgekeurde remvertragingsmeter. Bij het vaststellen van de remvertraging wordt de afremming door de hydromotor meegenomen.

    Tandemstel voorzien van  een voorloop- of sleepas met kleine(re) wielen

    Deze assen kunt u vaak niet remmen op een rollenremtestbank omdat de wielen te klein zijn en te weinig last op de betreffende as aanwezig is. De remvertraging van deze voorloop- of sleepas mag u daarom buiten beschouwing laten. Het is niet toegestaan om de maximummassa van het voertuig te verlagen met de maximummassa van de voorloopas. De remmen van de voorloop- of sleeppas moeten wel werken.

    Remproef van een trike op een remmentestbank

    Als u de remvertraging van een trike vaststelt met behulp van een remmentestbank dan is het bepalen van de remvertraging op de achteras voldoende. Als de remvertraging wordt gehaald, kunt u het voertuig goedkeuren. De voorwielrem moet wel werken. Als de vereiste remvertraging niet wordt gehaald, kunt u met een goedgekeurde remvertragingsmeter een remproef op de weg uitvoeren.

  3. 3.

    Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1998, en opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in Aanvullende permanente eisen, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
    Aanvullende permanente eisen
    Hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2

    Hoofdstuk 1. Voertuigeisen

    Titel 7. Reminrichting

    Afdeling 2. Remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens

    § 1.Wijze van bepaling van remvertraging

    Artikel 57 Wijze van bepaling remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens

    1. De controle van de remvertraging van personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens vindt plaats door middel van een beproeving op de weg met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter dan wel door middel van een beproeving van het voertuig op een platenremtestbank of een rollenremtestbank.
    2. Bij het gebruik van de meetmiddelen, genoemd in het eerste lid, wordt de pedaalkracht alleen in geval van twijfel gemeten met een pedaalkrachtmeter.
    3. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsbewijs moet, in afwijking van het eerste lid, bij voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg de controle van de remvertraging plaatsvinden door middel van de in paragraaf 3 van deze afdeling omschreven beproeving van het voertuig op een platenremtestbank of door middel van de in paragraaf 2.1 van deze afdeling omschreven beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank.
    4. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsbewijs moet, in afwijking van het eerste lid, bij voertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg alsmede bij aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg de controle van de remvertraging plaatsvinden door middel van de in paragraaf 2.1, respectievelijk paragraaf 2.2 van deze afdeling omschreven beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank.
    5. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op voertuigen waarbij het om technische redenen niet mogelijk is het voertuig op een rollenremtestbank of platenremtestbank te remmen. Hieronder worden onder andere verstaan:
      1. voertuigen die breder zijn dan 2,60 m;
      2. voertuigen met een zodanig kleine wieldiameter dat beproeving niet mogelijk is;
      3. voertuigen die zijn voorzien van een permanente, niet automatische of met de hand uitschakelbare aandrijving op meer dan één as;
      4. aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg met één of meerdere achter elkaar gelegen aslijnen en waarbij één of meerdere aslijnen bestaan uit twee in elkaars verlengde gelegen enkele assen.

    Artikel 58 Pedaal- en remkrachten

    De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).

    § 2.Rollenremtestbank
    § 2.1. Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg

    Artikel 59 Bepalen van de remvertraging

    1. Voor het bepalen van de remvertraging:
      1. moeten per as de maximale remkrachten aan de wielen met, indien vereist, de bijbehorende pedaalkrachten worden vastgesteld;
      2. moeten de remkrachten van de voorste as en de achterste as of het achterste asstel bij elkaar worden opgeteld en vervolgens worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg. De uitkomst wordt met een factor 10 vermenigvuldigd en het resultaat wordt gelezen als procenten ' relatieve beremming';
      3. moet met behulp van de gevonden waarden 'relatieve beremming' en ' pedaalkracht op de voorste as', aan de hand van de bij dit artikel behorende tabel 2 worden beoordeeld of de remwerking voldoende is;
      4. moet indien de gevonden waarden niet leiden tot een directe beslissing, een remproef op de weg plaatsvinden.
    2. Bij de beoordeling van het eerste lid, onderdeel d, wordt gebruik gemaakt van een geschikte remvertragingsmeter, indien deze aanwezig is. De remvertraging met de bijbehorende pedaalkracht wordt beoordeeld even voor het moment van blokkeren van één of meer wielen van het voertuig.
    3. Voertuigen in gebruik genomen vóór 01 juli 1967, waarop tabel 2 niet van toepassing is, moeten voldoen aan de voor het betrokken voertuig bepaalde remvertraging.
    Tabel 2, remtest op een rollenremtestbank

    Artikel 60 Bepalen van de remkrachten bedrijfsrem

    1. Voor het bepalen van de maximale remkrachten, bedoeld in artikel 59, onderdeel a, is het volgende van toepassing:
      1. de pedaalkracht die bij de voorste as wordt gebruikt, hoeft niet dezelfde te zijn als die van de achterste as of het achterste asstel;
      2. bij de remtest wordt het rempedaal langzaam ingetrapt en op het moment van aflezen vastgehouden;
      3. de maximale remkracht wordt bereikt wanneer:
        1. in een personenauto in gebruik genomen na 30 juni 1967, een pedaalkracht van 500 N wordt uitgeoefend;
        2. in een bedrijfsauto of bus in gebruik genomen na 30 juni 1967, een pedaalkracht van 700 N wordt uitgeoefend;
        3. één of meer wielen van het voertuig blokkeren, of
        4. de rollenremtestbank afslaat.
    2. Indien de remkracht op één wiel tussen twee waarden schommelt of de remkrachten op beide wielen tussen twee waarden schommelen, worden per wiel de minimale en maximale remkracht gemiddeld en wordt dit gemiddelde gebruikt als de remkracht voor dat wiel.

    Artikel 61 Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem

    Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.

    Artikel 63 Bepalen remvertraging parkeerrem

    Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.

    § 2.2. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen

    Artikel 64 Gebruik van de rollenremtestbank

    1. De beproeving wordt uitgevoerd volgens de procedure zoals beschreven in de gebruiksaanwijzing van de rollenremtestbank.
    2. Het resultaat van de rembeproeving wordt op een printuitdraai van de rollenremtestbank gepresenteerd en aan de hand van de gepresenteerde gegevens wordt bepaald of het voertuig voldoet aan de wettelijke remvertraging.
    3. Indien de beproeving niet kan worden uitgevoerd volgens de procedure zoals beschreven in de gebruiksaanwijzing van de rollenremtestbank, wordt de remvertraging bepaald door:
      1. per as de maximale remkrachten vast te stellen, en
      2. de totale remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.

    Artikel 65 Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem

    1. De extrapolatiedruk bij bedrijfsauto’s en bussen wordt gesteld op 7,0 bar, tenzij uit documentatie van de voertuigfabrikant of de gegevens op de ALR/ABS-EBS plaat wordt aangetoond dat deze druk hoger is. De extrapolatiedruk voor die as is dan gelijk aan deze hogere druk.
    2. De extrapolatiedruk van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2012 wordt gesteld op 6,5 bar. De extrapolatiedruk van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 2011 wordt gesteld op 7,0 bar. Indien het een aanhangwagen betreft met een éénleidingremsysteem, wordt de extrapolatiedruk gesteld op 4,5 bar.

    Artikel 66 Bepaling remkrachten bedrijfsrem

    Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:

    1. de pedaalkracht respectievelijk de remdruk hoeft niet bij alle assen gelijk te zijn;
    2. bij de remtest moet het rempedaal langzaam worden ingetrapt en kort voor het bereiken van de blokkeergrens enige tijd worden vastgehouden, de aanwijzingen van de remtestinrichting moeten worden opgevolgd;
    3. de maximale remkracht wordt bereikt wanneer:
      1. een pedaalkracht van 700 N wordt uitgeoefend, dan wel de maximale remcilinderdruk wordt bereikt;
      2. één of meer wielen van het voertuig blokkeren, of
      3. de rollenremtestbank afslaat.

    Artikel 67 Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem

    Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.

    Artikel 68 Bepalen remvertraging parkeerrem

    Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg.

    § 2.3. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten

    Artikel 69 Referentieremkracht

    De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s² in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s² in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.

    Artikel 70 Bepalen remvertraging bedrijfsrem

    1. De referentiewaarden worden vastgesteld bij de door de fabrikant opgegeven druk in de luchtdrukremcilinders die zo dicht mogelijk ligt bij de druk in de luchtdrukremcilinder op het moment van slip, maar tenminste bij een druk van 2,5 bar.
    2. Indien de referentieremkrachten door de fabrikant zijn vastgesteld bij een remvertraging van 5,0 m/s², worden de referentieremkrachten, indien van toepassing, herberekend met de factor 4,5/5,0. Indien de referentieremkrachten, indien van toepassing, voor een oplegger zijn vastgesteld bij een remvertraging van 4,5m/s², worden de referentieremkrachten herberekend met de factor 4,0/4,5.
    3. Met de door de fabrikant gegeven meetcondities en toleranties dient rekening te worden gehouden waarbij, indien vereist, specifieke gegevens worden vergeleken.

    Artikel 71 Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem

    Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.

    Artikel 72 Bepalen remvertraging parkeerrem

    Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.

    § 2.4. Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg

    Artikel 73 Bepaling remvertraging bedrijfsrem

    Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaatsvindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd:

    1. moeten, nadat de gesimuleerde belasting is aangebracht, per as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld;
    2. moet de bij de remproef behaalde remvertraging worden berekend door de remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa onder de assen.

    Artikel 74 Bepaling remkrachten bedrijfsrem

    1. Bij de vaststelling van de maximale remkrachten, bedoeld in artikel 73, moet het volgende in acht worden genomen:
      1. bij de remtest moet de remwerking door middel van het activeren van de remmodule (EBC) langzaam worden opgevoerd en op het moment van aflezen worden vastgehouden;
      2. de maximale remkracht wordt bereikt wanneer:
        1. één of meer wielen van het voertuig blokkeren, of
        2. de rollenremtestbank afslaat.
    2. Indien de wielen niet blokkeren of de rollenremtestbank niet afslaat bij de maximale remkracht gelden de dan afgelezen remkrachten als maximale remkrachten.
    3. Indien de remkracht op één wiel tussen twee waarden schommelt of de remkrachten op beide wielen van een as tussen twee waarden schommelen, moeten per wiel de minimale en maximale remkracht worden gemiddeld en wordt dit gemiddelde gebruikt als remkracht voor dat wiel.

    Artikel 75 Maximale remkrachten bedrijfsrem:

    Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.

    Artikel 76 Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem

    1. Voor de toepassing van de formule wordt verstaan onder:
    2.   a vol = berekende relatieve remvertraging;
       F b(n) = som van de remkrachten aan de wielen per as ‘n’;
       m max = maximale massa onder de assen;

    3. Van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg moet de vaststelling van de remvertraging van de bedrijfsrem plaatsvinden volgens de volgende formule:
    formule artikel 76

    § 3. Platenremtestbank

    § 3.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg

    Artikel 77 Bepalen remvertraging

    Voor het bepalen van de remvertraging:

    1. moet gebruik worden gemaakt van een pedaalkrachtmeter waarbij het mogelijk is om, door middel van arreteerstand, na afloop van de remproef de daarbij gebruikte pedaalkracht af te lezen;
    2. moet de snelheid bij de aanvang van de remproef ongeveer 10 km/h bedragen;
    3. moeten de remkrachten worden vastgesteld direct vóór het moment van blokkeren van één of meer wielen van het voertuig;
    4. moet de remproef op iedere as twee maal worden uitgevoerd. Indien de met deze proeven behaalde remkrachten aan de wielen per as, mede gelet op de gebruikte pedaalkracht, nagenoeg gelijk zijn, worden deze gebruikt voor het bepalen van de remvertraging. Indien de met deze proeven behaalde remkrachten aan de wielen per as niet nagenoeg gelijk zijn, moet per as een derde remproef worden uitgevoerd. De behaalde remkrachten aan de wielen van deze laatste proef en van de voorgaande proef die de behaalde remkrachten aan de wielen het dichtst benadert, worden gebruikt voor het bepalen van de remvertraging;
    5. moeten de remkrachten, die aldus zijn verkregen uit twee remproeven per as, bij elkaar worden opgeteld en worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand, vermenigvuldigd met twee. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet worden gerekend met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg en vermenigvuldigd met twee.

    Artikel 78 Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem

    Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:

    1. kunnen de resultaten van de remproeven voor het bepalen van de remvertraging van de bedrijfsrem worden gebruikt;
    2. moet de beoordeling van de resultaten geschieden aan de hand van de bij dit artikel behorende tabel 3, waarin de vermelde percentages zijn gerelateerd aan de hoogst gemeten remkracht.
    Tabel 3 Verschil in remwerking links en rechts op platenremtestbank DocumentTabel 3. Verschil in remwerking links en rechts op platenremtestbank (pdf, 7kb) 

     

    Artikel 81 Bepalen remvertraging parkeerrem

    Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:

    1. moet de snelheid bij de aanvang van de remproef ongeveer 10 km/h bedragen;
    2. moet het voertuig aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan;
    3. moeten de bij de remproef aan de wielen behaalde remkrachten worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet worden gerekend met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.

    § 4. Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter

    § 4.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus

    Artikel 82 Pedaalkracht bedrijfsrem

    Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.

    Artikel 83 Bepalen remvertraging

    De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:

    1. indien door de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de minimaal behaalde remvertraging;
    2. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten remvertragingen, die gelijk of groter zijn aan de minimaal vereiste remvertraging en gedurende minimaal een halve seconde zijn gemeten;
    3. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a of b kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld:
      1. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging bepalend;
      2. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend.

    Artikel 84 Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem

    Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg:

    1. moet in geval van een personenauto geremd worden tot de hoogst bereikbare remvertraging, met een maximum van 8 m/s²;
    2. moet in geval van een bedrijfsauto of bus geremd worden tot de minimaal vereiste remvertraging, zoals voor de betreffende voertuigcategorie is vermeld in hoofdstuk 5 van deze regeling;
    3. is het gebruik van een remvertragingsmeter niet noodzakelijk.

    Artikel 85 Bepalen remvertraging parkeerrem

    De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.

    § 4.2. Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg

    Artikel 86 Voorwaarden beproeving bedrijfsrem

    1. De bedrijfsrem van de aanhangwagen moet regelbaar en onafhankelijk van het trekkende motorvoertuig kunnen worden bediend. Dit geschiedt door middel van de strekrem die de volledige druk van de bedrijfsrem kan doorsturen of met behulp van een inrichting waarmee vanuit het trekkende motorvoertuig door middel van de bedrijfsrem van de aanhangwagen het samenstel van voertuigen kan worden afgeremd, waarbij het functioneren van de bedrijfsrem van het samenstel niet mag worden beïnvloed.
    2. De gewichtsverhouding tussen het trekkende motorvoertuig en de aanhangwagen mag niet extreem groot zijn.

    Artikel 87 Bepalen remvertraging bedrijfsrem

    Bij het bepalen van de remvertraging moet het volgende in acht worden genomen:

    1. de ingestuurde druk door middel van de strekrem of de inrichting, bedoeld in artikel 86, eerste lid, moet worden opgevoerd tot de blokkeergrens van één of meer wielen, waarna met een iets lagere druk de remvertraging wordt geregistreerd;
    2. indien door de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de gemiddelde remvertraging van de combinatie;
    3. indien de remvertraging niet volgens onderdeel b kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten remvertragingen die gedurende minimaal een halve seconde zijn gemeten;
    4. indien de remvertraging niet volgens de onderdelen b of c kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld:
      1. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging bepalend;
      2. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend.

    Artikel 88 Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem

    De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
    Formule artikel 88

    Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    • aahw = remvertraging aanhangwagen;
    • a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
    • m tot.geremd = de in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig is vermeld, geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de totale gemeten massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;
    • m ahw = de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig of, anders dan bij de perodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.
    Toelichting

    Remproef algemeen

    Het voertuig moet in de rollenremtestbank kunnen dan wel op de platenremtestbank passen. Het voertuig moet in voorwaartse rijrichting getest worden. Als de remmentestbank na de remproef een resultaat aangeeft, is de remtest geslaagd. Voor de platenremtestbank maakt het niet uit als er (delen van) banden buiten/binnen de remplaten uitsteken.

    Remkracht per wiel en per as

    Per wiel moet u vaststellen of de rem werkt. Daarnaast moet u per as het remverschil bepalen. Dus elke as moet u apart op de remmentestbank testen. (RV artikel 5.*.38) (APE Hoofdstuk 1, afdeling 2).

    Demonteren wielen

    Buiten aanhangwagens mag u geen wielen van het voertuig demonteren om de remtest te kunnen uitvoeren.

    Gebruik remvertragingsmeter

    In de onderstaande gevallen mag u een remproef op de weg uitvoeren met behulp van een goedgekeurde remvertragingsmeter:

    1. Als het voertuig te laag is om op een remmentestbank te worden getest.
    2. Als het voertuig breder is dan 2,60 m.
    3. Als het voertuig een permanente niet-uitschakelbare vierwielaandrijving heeft.
    4. Als het voertuig een te kleine wieldiameter heeft om op de rollenremtestbank te worden geremd.
    5. Als het niet mogelijk is om elke as van een asstel afzonderlijk te remmen op een remmentestbank.
    6. Als het om een aanhangwagen gaat met in elkaars verlengde pendelassen (diepladers)
    Maximum massa personenauto

    De ledige massa van een personenauto bepaalt of het een APK1- of een APK2-voertuig is. Een personenauto met een ledige massa beneden de 3500 kg en een maximum massa boven 3500 kg is een APK2-voertuig en moet door een APK2-erkenninghouder worden gekeurd. Een platenremtestbank is een goedgekeurd meetmiddel voor APK2-keuringen. In de APE, hoofdstuk 1, afdeling 2, is aangegeven dat een platenremtestbank een beperking heeft tot een toegestane massa voertuig van 3500 kg. Dit kan  een probleem zijn bij personenauto's omdat de maximum massa niet altijd bekend is. Is het een APK2-voertuig, ledige massa ≤ 3500 kg, dan mag u deze wel op een platenremtestbank testen.  

    Maximale remkrachten buiten meetbereik van de remmentestbank

    Soms komt het voor dat de remkracht die het voertuig opbrengt groter is dan de maximale remkracht waarden die een remmentestbank op de schaal (meetbereik) kan aangeven. Als de remvertraging wordt gehaald met de remkracht die de remmentestbank maximaal kan aangeven, is het akkoord. Als de remvertraging niet wordt gehaald dan mag u het voertuig niet keuren en moet u het voertuig op een remmentestbank met een groter meetbereik testen.

    Remvertraging hydromotor

    Bedrijfsauto’s  met een hydromotor (zoals veegwagens) halen de vereiste remvertraging soms niet als u op een rollenremtestbank remt. Deze voertuigen mag u daarom op de weg remmen. U  moet daarbij gebruik maken van een goedgekeurde remvertragingsmeter. Bij het vaststellen van de remvertraging wordt de afremming door de hydromotor meegenomen.

    Tandemstel voorzien van  een voorloop- of sleepas met kleine(re) wielen

    Deze assen kunt u vaak niet remmen op een rollenremtestbank omdat de wielen te klein zijn en te weinig last op de betreffende as aanwezig is. De remvertraging van deze voorloop- of sleepas mag u daarom buiten beschouwing laten. Het is niet toegestaan om de maximummassa van het voertuig te verlagen met de maximummassa van de voorloopas. De remmen van de voorloop- of sleeppas moeten wel werken.

    Remproef van een trike op een remmentestbank

    Als u de remvertraging van een trike vaststelt met behulp van een remmentestbank dan is het bepalen van de remvertraging op de achteras voldoende. Als de remvertraging wordt gehaald, kunt u het voertuig goedkeuren. De voorwielrem moet wel werken. Als de vereiste remvertraging niet wordt gehaald, kunt u met een goedgekeurde remvertragingsmeter een remproef op de weg uitvoeren.

  4. 4.

    Aanhangwagens in gebruik genomen voor 1 oktober 1971, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in Aanvullende permanente eisen, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
    Aanvullende permanente eisen
    Hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2

    Hoofdstuk 1. Voertuigeisen

    Titel 7. Reminrichting

    Afdeling 2. Remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens

    § 1.Wijze van bepaling van remvertraging

    Artikel 57 Wijze van bepaling remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens

    1. De controle van de remvertraging van personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens vindt plaats door middel van een beproeving op de weg met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter dan wel door middel van een beproeving van het voertuig op een platenremtestbank of een rollenremtestbank.
    2. Bij het gebruik van de meetmiddelen, genoemd in het eerste lid, wordt de pedaalkracht alleen in geval van twijfel gemeten met een pedaalkrachtmeter.
    3. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsbewijs moet, in afwijking van het eerste lid, bij voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg de controle van de remvertraging plaatsvinden door middel van de in paragraaf 3 van deze afdeling omschreven beproeving van het voertuig op een platenremtestbank of door middel van de in paragraaf 2.1 van deze afdeling omschreven beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank.
    4. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsbewijs moet, in afwijking van het eerste lid, bij voertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg alsmede bij aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg de controle van de remvertraging plaatsvinden door middel van de in paragraaf 2.1, respectievelijk paragraaf 2.2 van deze afdeling omschreven beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank.
    5. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op voertuigen waarbij het om technische redenen niet mogelijk is het voertuig op een rollenremtestbank of platenremtestbank te remmen. Hieronder worden onder andere verstaan:
      1. voertuigen die breder zijn dan 2,60 m;
      2. voertuigen met een zodanig kleine wieldiameter dat beproeving niet mogelijk is;
      3. voertuigen die zijn voorzien van een permanente, niet automatische of met de hand uitschakelbare aandrijving op meer dan één as;
      4. aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg met één of meerdere achter elkaar gelegen aslijnen en waarbij één of meerdere aslijnen bestaan uit twee in elkaars verlengde gelegen enkele assen.

    Artikel 58 Pedaal- en remkrachten

    De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).

    § 2.Rollenremtestbank
    § 2.1. Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg

    Artikel 59 Bepalen van de remvertraging

    1. Voor het bepalen van de remvertraging:
      1. moeten per as de maximale remkrachten aan de wielen met, indien vereist, de bijbehorende pedaalkrachten worden vastgesteld;
      2. moeten de remkrachten van de voorste as en de achterste as of het achterste asstel bij elkaar worden opgeteld en vervolgens worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg. De uitkomst wordt met een factor 10 vermenigvuldigd en het resultaat wordt gelezen als procenten ' relatieve beremming';
      3. moet met behulp van de gevonden waarden 'relatieve beremming' en ' pedaalkracht op de voorste as', aan de hand van de bij dit artikel behorende tabel 2 worden beoordeeld of de remwerking voldoende is;
      4. moet indien de gevonden waarden niet leiden tot een directe beslissing, een remproef op de weg plaatsvinden.
    2. Bij de beoordeling van het eerste lid, onderdeel d, wordt gebruik gemaakt van een geschikte remvertragingsmeter, indien deze aanwezig is. De remvertraging met de bijbehorende pedaalkracht wordt beoordeeld even voor het moment van blokkeren van één of meer wielen van het voertuig.
    3. Voertuigen in gebruik genomen vóór 01 juli 1967, waarop tabel 2 niet van toepassing is, moeten voldoen aan de voor het betrokken voertuig bepaalde remvertraging.
    Tabel 2, remtest op een rollenremtestbank

    Artikel 60 Bepalen van de remkrachten bedrijfsrem

    1. Voor het bepalen van de maximale remkrachten, bedoeld in artikel 59, onderdeel a, is het volgende van toepassing:
      1. de pedaalkracht die bij de voorste as wordt gebruikt, hoeft niet dezelfde te zijn als die van de achterste as of het achterste asstel;
      2. bij de remtest wordt het rempedaal langzaam ingetrapt en op het moment van aflezen vastgehouden;
      3. de maximale remkracht wordt bereikt wanneer:
        1. in een personenauto in gebruik genomen na 30 juni 1967, een pedaalkracht van 500 N wordt uitgeoefend;
        2. in een bedrijfsauto of bus in gebruik genomen na 30 juni 1967, een pedaalkracht van 700 N wordt uitgeoefend;
        3. één of meer wielen van het voertuig blokkeren, of
        4. de rollenremtestbank afslaat.
    2. Indien de remkracht op één wiel tussen twee waarden schommelt of de remkrachten op beide wielen tussen twee waarden schommelen, worden per wiel de minimale en maximale remkracht gemiddeld en wordt dit gemiddelde gebruikt als de remkracht voor dat wiel.

    Artikel 61 Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem

    Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.

    Artikel 63 Bepalen remvertraging parkeerrem

    Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.

    § 2.2. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen

    Artikel 64 Gebruik van de rollenremtestbank

    1. De beproeving wordt uitgevoerd volgens de procedure zoals beschreven in de gebruiksaanwijzing van de rollenremtestbank.
    2. Het resultaat van de rembeproeving wordt op een printuitdraai van de rollenremtestbank gepresenteerd en aan de hand van de gepresenteerde gegevens wordt bepaald of het voertuig voldoet aan de wettelijke remvertraging.
    3. Indien de beproeving niet kan worden uitgevoerd volgens de procedure zoals beschreven in de gebruiksaanwijzing van de rollenremtestbank, wordt de remvertraging bepaald door:
      1. per as de maximale remkrachten vast te stellen, en
      2. de totale remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.

    Artikel 65 Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem

    1. De extrapolatiedruk bij bedrijfsauto’s en bussen wordt gesteld op 7,0 bar, tenzij uit documentatie van de voertuigfabrikant of de gegevens op de ALR/ABS-EBS plaat wordt aangetoond dat deze druk hoger is. De extrapolatiedruk voor die as is dan gelijk aan deze hogere druk.
    2. De extrapolatiedruk van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2012 wordt gesteld op 6,5 bar. De extrapolatiedruk van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 2011 wordt gesteld op 7,0 bar. Indien het een aanhangwagen betreft met een éénleidingremsysteem, wordt de extrapolatiedruk gesteld op 4,5 bar.

    Artikel 66 Bepaling remkrachten bedrijfsrem

    Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:

    1. de pedaalkracht respectievelijk de remdruk hoeft niet bij alle assen gelijk te zijn;
    2. bij de remtest moet het rempedaal langzaam worden ingetrapt en kort voor het bereiken van de blokkeergrens enige tijd worden vastgehouden, de aanwijzingen van de remtestinrichting moeten worden opgevolgd;
    3. de maximale remkracht wordt bereikt wanneer:
      1. een pedaalkracht van 700 N wordt uitgeoefend, dan wel de maximale remcilinderdruk wordt bereikt;
      2. één of meer wielen van het voertuig blokkeren, of
      3. de rollenremtestbank afslaat.

    Artikel 67 Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem

    Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.

    Artikel 68 Bepalen remvertraging parkeerrem

    Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg.

    § 2.3. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten

    Artikel 69 Referentieremkracht

    De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s² in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s² in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.

    Artikel 70 Bepalen remvertraging bedrijfsrem

    1. De referentiewaarden worden vastgesteld bij de door de fabrikant opgegeven druk in de luchtdrukremcilinders die zo dicht mogelijk ligt bij de druk in de luchtdrukremcilinder op het moment van slip, maar tenminste bij een druk van 2,5 bar.
    2. Indien de referentieremkrachten door de fabrikant zijn vastgesteld bij een remvertraging van 5,0 m/s², worden de referentieremkrachten, indien van toepassing, herberekend met de factor 4,5/5,0. Indien de referentieremkrachten, indien van toepassing, voor een oplegger zijn vastgesteld bij een remvertraging van 4,5m/s², worden de referentieremkrachten herberekend met de factor 4,0/4,5.
    3. Met de door de fabrikant gegeven meetcondities en toleranties dient rekening te worden gehouden waarbij, indien vereist, specifieke gegevens worden vergeleken.

    Artikel 71 Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem

    Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.

    Artikel 72 Bepalen remvertraging parkeerrem

    Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.

    § 2.4. Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg

    Artikel 73 Bepaling remvertraging bedrijfsrem

    Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaatsvindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd:

    1. moeten, nadat de gesimuleerde belasting is aangebracht, per as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld;
    2. moet de bij de remproef behaalde remvertraging worden berekend door de remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa onder de assen.

    Artikel 74 Bepaling remkrachten bedrijfsrem

    1. Bij de vaststelling van de maximale remkrachten, bedoeld in artikel 73, moet het volgende in acht worden genomen:
      1. bij de remtest moet de remwerking door middel van het activeren van de remmodule (EBC) langzaam worden opgevoerd en op het moment van aflezen worden vastgehouden;
      2. de maximale remkracht wordt bereikt wanneer:
        1. één of meer wielen van het voertuig blokkeren, of
        2. de rollenremtestbank afslaat.
    2. Indien de wielen niet blokkeren of de rollenremtestbank niet afslaat bij de maximale remkracht gelden de dan afgelezen remkrachten als maximale remkrachten.
    3. Indien de remkracht op één wiel tussen twee waarden schommelt of de remkrachten op beide wielen van een as tussen twee waarden schommelen, moeten per wiel de minimale en maximale remkracht worden gemiddeld en wordt dit gemiddelde gebruikt als remkracht voor dat wiel.

    Artikel 75 Maximale remkrachten bedrijfsrem:

    Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.

    Artikel 76 Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem

    1. Voor de toepassing van de formule wordt verstaan onder:
    2.   a vol = berekende relatieve remvertraging;
       F b(n) = som van de remkrachten aan de wielen per as ‘n’;
       m max = maximale massa onder de assen;

    3. Van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg moet de vaststelling van de remvertraging van de bedrijfsrem plaatsvinden volgens de volgende formule:
    formule artikel 76

    § 3. Platenremtestbank

    § 3.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg

    Artikel 77 Bepalen remvertraging

    Voor het bepalen van de remvertraging:

    1. moet gebruik worden gemaakt van een pedaalkrachtmeter waarbij het mogelijk is om, door middel van arreteerstand, na afloop van de remproef de daarbij gebruikte pedaalkracht af te lezen;
    2. moet de snelheid bij de aanvang van de remproef ongeveer 10 km/h bedragen;
    3. moeten de remkrachten worden vastgesteld direct vóór het moment van blokkeren van één of meer wielen van het voertuig;
    4. moet de remproef op iedere as twee maal worden uitgevoerd. Indien de met deze proeven behaalde remkrachten aan de wielen per as, mede gelet op de gebruikte pedaalkracht, nagenoeg gelijk zijn, worden deze gebruikt voor het bepalen van de remvertraging. Indien de met deze proeven behaalde remkrachten aan de wielen per as niet nagenoeg gelijk zijn, moet per as een derde remproef worden uitgevoerd. De behaalde remkrachten aan de wielen van deze laatste proef en van de voorgaande proef die de behaalde remkrachten aan de wielen het dichtst benadert, worden gebruikt voor het bepalen van de remvertraging;
    5. moeten de remkrachten, die aldus zijn verkregen uit twee remproeven per as, bij elkaar worden opgeteld en worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand, vermenigvuldigd met twee. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet worden gerekend met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg en vermenigvuldigd met twee.

    Artikel 78 Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem

    Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:

    1. kunnen de resultaten van de remproeven voor het bepalen van de remvertraging van de bedrijfsrem worden gebruikt;
    2. moet de beoordeling van de resultaten geschieden aan de hand van de bij dit artikel behorende tabel 3, waarin de vermelde percentages zijn gerelateerd aan de hoogst gemeten remkracht.
    Tabel 3 Verschil in remwerking links en rechts op platenremtestbank DocumentTabel 3. Verschil in remwerking links en rechts op platenremtestbank (pdf, 7kb) 

     

    Artikel 81 Bepalen remvertraging parkeerrem

    Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:

    1. moet de snelheid bij de aanvang van de remproef ongeveer 10 km/h bedragen;
    2. moet het voertuig aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan;
    3. moeten de bij de remproef aan de wielen behaalde remkrachten worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet worden gerekend met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.

    § 4. Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter

    § 4.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus

    Artikel 82 Pedaalkracht bedrijfsrem

    Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.

    Artikel 83 Bepalen remvertraging

    De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:

    1. indien door de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de minimaal behaalde remvertraging;
    2. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten remvertragingen, die gelijk of groter zijn aan de minimaal vereiste remvertraging en gedurende minimaal een halve seconde zijn gemeten;
    3. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a of b kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld:
      1. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging bepalend;
      2. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend.

    Artikel 84 Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem

    Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg:

    1. moet in geval van een personenauto geremd worden tot de hoogst bereikbare remvertraging, met een maximum van 8 m/s²;
    2. moet in geval van een bedrijfsauto of bus geremd worden tot de minimaal vereiste remvertraging, zoals voor de betreffende voertuigcategorie is vermeld in hoofdstuk 5 van deze regeling;
    3. is het gebruik van een remvertragingsmeter niet noodzakelijk.

    Artikel 85 Bepalen remvertraging parkeerrem

    De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.

    § 4.2. Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg

    Artikel 86 Voorwaarden beproeving bedrijfsrem

    1. De bedrijfsrem van de aanhangwagen moet regelbaar en onafhankelijk van het trekkende motorvoertuig kunnen worden bediend. Dit geschiedt door middel van de strekrem die de volledige druk van de bedrijfsrem kan doorsturen of met behulp van een inrichting waarmee vanuit het trekkende motorvoertuig door middel van de bedrijfsrem van de aanhangwagen het samenstel van voertuigen kan worden afgeremd, waarbij het functioneren van de bedrijfsrem van het samenstel niet mag worden beïnvloed.
    2. De gewichtsverhouding tussen het trekkende motorvoertuig en de aanhangwagen mag niet extreem groot zijn.

    Artikel 87 Bepalen remvertraging bedrijfsrem

    Bij het bepalen van de remvertraging moet het volgende in acht worden genomen:

    1. de ingestuurde druk door middel van de strekrem of de inrichting, bedoeld in artikel 86, eerste lid, moet worden opgevoerd tot de blokkeergrens van één of meer wielen, waarna met een iets lagere druk de remvertraging wordt geregistreerd;
    2. indien door de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de gemiddelde remvertraging van de combinatie;
    3. indien de remvertraging niet volgens onderdeel b kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten remvertragingen die gedurende minimaal een halve seconde zijn gemeten;
    4. indien de remvertraging niet volgens de onderdelen b of c kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld:
      1. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging bepalend;
      2. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend.

    Artikel 88 Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem

    De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
    Formule artikel 88

    Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    • aahw = remvertraging aanhangwagen;
    • a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
    • m tot.geremd = de in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig is vermeld, geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de totale gemeten massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;
    • m ahw = de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig of, anders dan bij de perodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.
    Toelichting

    Remproef algemeen

    Het voertuig moet in de rollenremtestbank kunnen dan wel op de platenremtestbank passen. Het voertuig moet in voorwaartse rijrichting getest worden. Als de remmentestbank na de remproef een resultaat aangeeft, is de remtest geslaagd. Voor de platenremtestbank maakt het niet uit als er (delen van) banden buiten/binnen de remplaten uitsteken.

    Remkracht per wiel en per as

    Per wiel moet u vaststellen of de rem werkt. Daarnaast moet u per as het remverschil bepalen. Dus elke as moet u apart op de remmentestbank testen. (RV artikel 5.*.38) (APE Hoofdstuk 1, afdeling 2).

    Demonteren wielen

    Buiten aanhangwagens mag u geen wielen van het voertuig demonteren om de remtest te kunnen uitvoeren.

    Gebruik remvertragingsmeter

    In de onderstaande gevallen mag u een remproef op de weg uitvoeren met behulp van een goedgekeurde remvertragingsmeter:

    1. Als het voertuig te laag is om op een remmentestbank te worden getest.
    2. Als het voertuig breder is dan 2,60 m.
    3. Als het voertuig een permanente niet-uitschakelbare vierwielaandrijving heeft.
    4. Als het voertuig een te kleine wieldiameter heeft om op de rollenremtestbank te worden geremd.
    5. Als het niet mogelijk is om elke as van een asstel afzonderlijk te remmen op een remmentestbank.
    6. Als het om een aanhangwagen gaat met in elkaars verlengde pendelassen (diepladers)
    Maximum massa personenauto

    De ledige massa van een personenauto bepaalt of het een APK1- of een APK2-voertuig is. Een personenauto met een ledige massa beneden de 3500 kg en een maximum massa boven 3500 kg is een APK2-voertuig en moet door een APK2-erkenninghouder worden gekeurd. Een platenremtestbank is een goedgekeurd meetmiddel voor APK2-keuringen. In de APE, hoofdstuk 1, afdeling 2, is aangegeven dat een platenremtestbank een beperking heeft tot een toegestane massa voertuig van 3500 kg. Dit kan  een probleem zijn bij personenauto's omdat de maximum massa niet altijd bekend is. Is het een APK2-voertuig, ledige massa ≤ 3500 kg, dan mag u deze wel op een platenremtestbank testen.  

    Maximale remkrachten buiten meetbereik van de remmentestbank

    Soms komt het voor dat de remkracht die het voertuig opbrengt groter is dan de maximale remkracht waarden die een remmentestbank op de schaal (meetbereik) kan aangeven. Als de remvertraging wordt gehaald met de remkracht die de remmentestbank maximaal kan aangeven, is het akkoord. Als de remvertraging niet wordt gehaald dan mag u het voertuig niet keuren en moet u het voertuig op een remmentestbank met een groter meetbereik testen.

    Remvertraging hydromotor

    Bedrijfsauto’s  met een hydromotor (zoals veegwagens) halen de vereiste remvertraging soms niet als u op een rollenremtestbank remt. Deze voertuigen mag u daarom op de weg remmen. U  moet daarbij gebruik maken van een goedgekeurde remvertragingsmeter. Bij het vaststellen van de remvertraging wordt de afremming door de hydromotor meegenomen.

    Tandemstel voorzien van  een voorloop- of sleepas met kleine(re) wielen

    Deze assen kunt u vaak niet remmen op een rollenremtestbank omdat de wielen te klein zijn en te weinig last op de betreffende as aanwezig is. De remvertraging van deze voorloop- of sleepas mag u daarom buiten beschouwing laten. Het is niet toegestaan om de maximummassa van het voertuig te verlagen met de maximummassa van de voorloopas. De remmen van de voorloop- of sleeppas moeten wel werken.

    Remproef van een trike op een remmentestbank

    Als u de remvertraging van een trike vaststelt met behulp van een remmentestbank dan is het bepalen van de remvertraging op de achteras voldoende. Als de remvertraging wordt gehaald, kunt u het voertuig goedkeuren. De voorwielrem moet wel werken. Als de vereiste remvertraging niet wordt gehaald, kunt u met een goedgekeurde remvertragingsmeter een remproef op de weg uitvoeren.

  5. 5.

    Indien de remkrachten van de aanhangwagen groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in Aanvullende permanente eisen, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
    Aanvullende permanente eisen
    Hoofdstuk 1, titel 2, afdeling 1, 2, 3

    Hoofdstuk 1 Voertuigeisen

    Titel 2. Algemene bouwwijze van het voertuig

    Afdeling 1. Voertuigen zonder een volledig dragend chassis

    Artikel 4

    1. In deze afdeling wordt verstaan onder:
      roestschade: door corrosie over de gehele dikte verdwenen materiaal.
    2. Roestschade wordt per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat uitgedrukt in de schade-eenheid 'E'.

    Artikel 5

    De in Documentannex 1  (pdf, 254kb)vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.

    Artikel 6

    Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden 'E', moet de volgende procedure worden gevolgd:

    1. de roestschade-omvang wordt per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat in procenten bepaald volgens het van toepassing zijnde beoordelingsprincipe zoals vermeld in deze afdeling;
    2. aan de hand van Documentannex 1  (pdf, 254kb)  wordt de te hanteren roestschadegradatie bij maximaal functieverlies van het beschadigde onderdeel, de beschadigde bevestiging van een onderdeel dan wel de beschadigde sectie van de bodemplaat bepaald;
    3. het onder a bepaalde percentage roestschade wordt vermenigvuldigd met de onder b bepaalde roestschadegradatie.

    Artikel 7

    1. De bepaling van de roestschade-omvang van langs- en dwarsliggers geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
      1. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde deel van de omtrek en de gehele omtrek van de dwarsdoorsnede, een eventuele versterking in de langs- of dwarsligger daarbij inbegrepen. Bij de berekening van de omtrek van de dwarsdoorsnede worden de bevestigingsflenzen niet meegerekend, en
      2. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen de lengte van de schade en de werkelijke lengte van de langs- of dwarsligger tussen de draagpunten, zoals weergegeven in figuur 1, of zoals bij het betreffende onderdeel in Documentannex 1 (pdf, 254kb) is omschreven. Voor de bepaling van de roestschade worden de bevestigingsflenzen meegerekend.
    2. Indien een plaatdeel samen met een voorgevormd profiel een koker vormt, wordt het geheel beoordeeld als een langs- of dwarsligger.

    Figuur 1. Lengte langs- en dwarsliggers tussen de draagpunten
    Figuur 1. Lengte langs- en dwarsliggers tussen de draagpunten.

    Artikel 8

    1. Voor de bepaling van de roestschade-omvang van de bodemplaat van de personenruimte wordt de bodemplaat in secties verdeeld, zoals weergegeven in figuur 2, waarna elke sectie afzonderlijk wordt beoordeeld.
    2. De secties worden gevormd door de volgende sectielijnen:
      Sectielijn 1: de middenkoker of de lengtehartlijn.
      Sectielijn 2: het begin van de vlakke bodemplaat.
      Sectielijn 3: de dwarsligger ter plaatse van de voorzijde van de voorste zitplaatsen of indien ter plaatse geen dwarsligger aanwezig is de voorzijde van de voorste zitplaatsen in de achterste gebruiksstand.
      Sectielijn 4: elke voorzijde van de achter de voorste zitplaatsen (achter elkaar) gelegen zitplaatsen in de achterste gebruiksstand.
      Sectielijn 5: het einde van de bodemplaat onder de personenruimte.
    Figuur 2. Sectieverdeling bodemplaat personenruimte

    Figuur 2. Sectieverdeling bodemplaat personenruimte

    Artikel 9

    1. De bepaling van de roestschade-omvang van de bodemplaat van de personenruimte geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
      1. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde oppervlak van de sectie en het gehele oppervlak van de sectie, en
      2. de verhouding tussen de lengte van de schade aan de randen van de sectie en de totale randlengte van de sectie.
    2. Roestschade die doorloopt in verschillende secties moet worden beoordeeld als schade die aanwezig is in de grootste van de betrokken secties.
    3. Bij dubbele bodemplaten wordt de bovenste plaat beoordeeld zoals is aangegeven in het eerste lid; de onderste plaat wordt beoordeeld als één grote sectie.
    4. Indien een gedeelte van de bodemplaat tevens deel uitmaakt van een langs- of dwarsligger (koker), moet dit gedeelte worden meegerekend voor de bepaling van het oppervlak dan wel de randlengte.

    Artikel 10

    De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:

    1. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde oppervlak en het gehele oppervlak, en
    2. de verhouding tussen de totale lengte van de schade aan de randen en de totale randlengte, en
    3. de verhouding tussen de lengte van de schade per zijde van de wielkast en de bevestigingslengte van die zijde aan een ander onderdeel.

    Artikel 11

    1. De bepaling van de roestschade-omvang van plaatdelen, met uitzondering van de bodemplaat en de wielkasten, geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
      1. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde oppervlak en het gehele oppervlak, en
      2. de verhouding tussen de lengte van de schade aan de randen en de totale randlengte.
    2. Indien een gedeelte van een plaatdeel tevens deel uitmaakt van een langs- of dwarsligger (koker), moet dit gedeelte worden meegerekend voor de bepaling van het oppervlak dan wel de randlengte.

    Artikel 12

    1. De roestschade-omvang van de bevestiging van onderdelen, met uitzondering van de bevestiging van plaatdelen en wielkasten, wordt bepaald door een schatting te maken omtrent de afname in procenten van de sterkte van de bevestiging van het ene onderdeel aan het andere, in het gebied dat wordt omsloten door een denkbeeldige lijn gelegen op een afstand van 100 mm rondom de bevestiging.
    2. De roestschade in het gebied buiten de denkbeeldige lijn wordt buiten beschouwing gelaten.

    Artikel 13

    De beoordeling van roestschade vindt plaats:

    1. door visuele controle, terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, en
    2. in geval van twijfel: 
      1. door gebruik te maken van een hamertje met een bolle of afgeronde kop;
      2. door middel van meten met een meetmiddel van voldoende bereik.

    Afdeling 2. Voertuigen met een volledig dragend chassis

    § 1. Chassisraam

    Artikel 14

    1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
      roestschade: gedeeltelijk door corrosie verdwenen materiaal.
    2. Roestschade in het chassisraam wordt per langs- of dwarsligger dan wel per profiel uitgedrukt in procenten.

    Artikel 15

    1. De langs- en dwarsliggers en asbevestigingen van het chassisraam, de trekinrichting van een middenasaanhangwagen, en alle profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikrans of opleggerkoppeling dan wel koppelingsplaat mogen niet meer roestschade hebben dan het percentage genoemd in Documentannex 2 (pdf, 166kb) bij deze bijlage.
    2. De beoordeling van de roestschade-omvang van de langs- en dwarsliggers van het chassisraam geschiedt aan de hand van de lengte van de langs- en dwarsliggers tussen de draagpunten.
    3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, moeten langs- en dwarsliggers van het chassisraam die uitsluitend voor de ondersteuning van de laadvloer zijn aangebracht, als hulplangs- of hulpdwarsbalk worden aangemerkt waarop paragraaf 2 van deze afdeling van toepassing is.
    4. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, is op langs- en dwarsliggers en asbevestigingen van het chassisraam die zijn vervaardigd uit plaatmateriaal waarvan de dikte maximaal 2 mm bedraagt, paragraaf 2 van deze afdeling van toepassing.
    5. Op een gedeeltelijk zelfdragende carrosserie in combinatie met een chassisraam zijn voor het zelfdragende deel de eisen van afdeling 1 van toepassing.

    § 2. Overige onderdelen

    Artikel 16

    1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
      roestschade: door corrosie over de gehele dikte verdwenen materiaal.
    2. Roestschade wordt per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel uitgedrukt in de schade-eenheid 'E'.

    Artikel 17

    De in Documentannex 3 (pdf, 273kb) vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.

    Artikel 18

    Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden 'E', moet de volgende procedure worden gevolgd:

    1. de roestschade-omvang wordt per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel in procenten bepaald volgens het van toepassing zijnde beoordelingsprincipe;
    2. aan de hand van Documentannex 3 (pdf, 273kb) wordt de te hanteren roestschadegradatie bij maximaal functieverlies van het beschadigde onderdeel of de beschadigde bevestiging van een onderdeel bepaald;
    3. het percentage roestschade, bedoeld in onderdeel a, wordt vermenigvuldigd met de in roestschadegradatie, bedoeld in onderdeel b.

    Artikel 19

    1. De bepaling van de roestschade-omvang van langs- en dwarsliggers geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is: 

      1. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde deel van de omtrek en de gehele omtrek van de dwarsdoorsnede, een eventuele versterking in de langs- of dwarsligger daarbij inbegrepen. Bij de berekening van de omtrek van de dwarsdoorsnede worden de bevestigingsflenzen niet meegerekend, en
      2. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen de lengte van de schade en de werkelijke lengte van de langs- of dwarsligger tussen de draagpunten, zoals weergegeven in figuur 3, of zoals bij het betreffende onderdeel in Documentannex 3 (pdf, 273kb)  is omschreven. Voor de bepaling van de roestschade worden de bevestigingsflenzen meegerekend.  
    2. Indien een plaatdeel samen met een voorgevormd profiel een koker vormt, wordt het geheel beoordeeld als een langs- of dwarsligger.

      Figuur 3. Lengte dwars- of langsligger tussen de draagpunten
    3. Figuur 3. Lengte dwars- of langsligger tussen de draagpunten.

    Artikel 20

    1. De bepaling van de roestschade-omvang van plaatdelen geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:

      1. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde oppervlak en het gehele oppervlak, en
      2. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen de lengte van de schade aan de randen en de totale randlengte.
    2. Indien een gedeelte van een plaatdeel tevens deel uitmaakt van een langs- of dwarsligger (koker), moet dit gedeelte worden meegerekend voor de bepaling van het oppervlak dan wel de randlengte.

    Artikel 21

    1. De roestschade-omvang van de bevestiging van onderdelen, met uitzondering van de bevestiging van plaatdelen, wordt bepaald door een schatting te maken omtrent de afname in procenten van de sterkte van de bevestiging van het ene onderdeel aan het andere in het gebied dat wordt omsloten door een denkbeeldige lijn, gelegen op een afstand van 100 mm rondom de bevestiging.
    2. De roestschade in het gebied buiten de denkbeeldige lijn wordt buiten beschouwing gelaten.

    Artikel 22

    De beoordeling van roestschade vindt plaats:

    1. door visuele controle, terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, en
    2. in geval van twijfel: 
      1. door gebruik te maken van een hamertje met een bolle of afgeronde kop;
      2. door middel van meten met een meetmiddel van voldoende bereik.

    Afdeling 3. Roestschadereparatie

    Artikel 23

    Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.

    Artikel 24

    1. Voor alle onderdelen, bevestigingen van onderdelen of secties van de bodemplaat waarvoor een roestschadegradatie is gegeven, geldt dat:
      1. reparaties met pasklare gedeelten, waarbij elk deel deugdelijk aan het oorspronkelijke materiaal is gelast, toegestaan zijn;
      2. vervanging van delen is toegestaan mits deugdelijk gelast dan wel bevestigd met bouten, indien de oorspronkelijke bevestiging heeft plaatsgevonden door middel van bouten of klinknagels;
      3. een reparatie die niet volgens onderdeel a of b is uitgevoerd, als roestschade wordt aangemerkt en beoordeeld, waarbij de grootte van de reparatie wordt gezien als de grootte van de roestschade, tenzij anders wordt aangetoond.
    2. Onder deugdelijk gelast als genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt verstaan:
      1. kettinglassen welke ten minste 50% van de omtrek van het te lassen gedeelte bestrijken en goed zijn verdeeld over die omtrek, of
      2. proplassen (gatlassen) met ten minste een diameter van 4 mm en een onderlinge afstand van niet meer dan 20 mm.

    Artikel 25

    1. De trekinrichting van een middenasaanhangwagen, langs- en dwarsliggers en asbevestigingen die deel uitmaken van het chassisraam, bedoeld in paragraaf 1 van afdeling 2, mogen niet zijn gerepareerd met plaatdelen welke over de roestschade zijn aangebracht.
    2. In afwijking van het eerste lid mogen de trekinrichting van een middenasaanhangwagen en een aanhangwagen met een stijve dissel, langs- en dwarsliggers en asbevestigingen wel gerepareerd worden met plaatdelen welke over de roestschade zijn aangebracht, indien de dikte van deze plaatdelen ten minste gelijk is aan de grootste dikte van het te repareren deel. De plaatdelen moeten deugdelijk zijn gelast. Hieronder worden verstaan kettinglassen welke ten minste 75% van de omtrek van het te lassen gedeelte bestrijken. De lassen moeten goed zijn verdeeld over de omtrek.
    3. De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikrans of opleggerkoppeling dan wel koppelingsplaat mogen niet zijn gerepareerd met plaatdelen welke over de roestschade zijn aangebracht.

    Artikel 26

    Een afwijkende reparatie, zoals bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.

    Artikel 27

    De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:

    1. door visuele controle, terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, en
    2. in geval van twijfel door middel van meten met een meetmiddel van voldoende bereik.

    DocumentRekenvoorbeelden roestschade. (pdf, 437kb) 

  6. 6.

    De bedrijfsrem moet op alle wielen werken.
    Wijze van keuren
    Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de bedrijfsrem bedient en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd.
    Toelichting

    Aanwezigheid vierstandenkraan

    Een aanhangwagen of oplegger mag geen vierstandenkraan (een kraan met een lösen-stand) hebben. In de stand "lösen" of lossen werkt de reminrichting niet op alle wielen. Ook voldoet een vierstandenkraan niet aan de eis dat de reminrichting automatisch in de bedrijfstoestand komt als de luchtslangen worden aangekoppeld.
  7. 7.

    De bedrijfsrem moet zodanig werken dat de kans op blokkeren van wielen zo gering mogelijk is.
    Wijze van keuren
    Controle hierop heeft reeds plaatsgevonden op grond van de artikelen 5.12.35, tweede en derde lid, en 5.12.38, achtste lid.
  8. 8.

    Aanhangwagens mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in Aanvullende permanente eisen, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
    Aanvullende permanente eisen
    Hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2

    Hoofdstuk 1. Voertuigeisen

    Titel 7. Reminrichting

    Afdeling 2. Remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens

    § 1.Wijze van bepaling van remvertraging

    Artikel 57 Wijze van bepaling remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens

    1. De controle van de remvertraging van personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens vindt plaats door middel van een beproeving op de weg met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter dan wel door middel van een beproeving van het voertuig op een platenremtestbank of een rollenremtestbank.
    2. Bij het gebruik van de meetmiddelen, genoemd in het eerste lid, wordt de pedaalkracht alleen in geval van twijfel gemeten met een pedaalkrachtmeter.
    3. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsbewijs moet, in afwijking van het eerste lid, bij voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg de controle van de remvertraging plaatsvinden door middel van de in paragraaf 3 van deze afdeling omschreven beproeving van het voertuig op een platenremtestbank of door middel van de in paragraaf 2.1 van deze afdeling omschreven beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank.
    4. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsbewijs moet, in afwijking van het eerste lid, bij voertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg alsmede bij aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg de controle van de remvertraging plaatsvinden door middel van de in paragraaf 2.1, respectievelijk paragraaf 2.2 van deze afdeling omschreven beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank.
    5. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op voertuigen waarbij het om technische redenen niet mogelijk is het voertuig op een rollenremtestbank of platenremtestbank te remmen. Hieronder worden onder andere verstaan:
      1. voertuigen die breder zijn dan 2,60 m;
      2. voertuigen met een zodanig kleine wieldiameter dat beproeving niet mogelijk is;
      3. voertuigen die zijn voorzien van een permanente, niet automatische of met de hand uitschakelbare aandrijving op meer dan één as;
      4. aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg met één of meerdere achter elkaar gelegen aslijnen en waarbij één of meerdere aslijnen bestaan uit twee in elkaars verlengde gelegen enkele assen.

    Artikel 58 Pedaal- en remkrachten

    De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).

    § 2.Rollenremtestbank
    § 2.1. Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg

    Artikel 59 Bepalen van de remvertraging

    1. Voor het bepalen van de remvertraging:
      1. moeten per as de maximale remkrachten aan de wielen met, indien vereist, de bijbehorende pedaalkrachten worden vastgesteld;
      2. moeten de remkrachten van de voorste as en de achterste as of het achterste asstel bij elkaar worden opgeteld en vervolgens worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg. De uitkomst wordt met een factor 10 vermenigvuldigd en het resultaat wordt gelezen als procenten ' relatieve beremming';
      3. moet met behulp van de gevonden waarden 'relatieve beremming' en ' pedaalkracht op de voorste as', aan de hand van de bij dit artikel behorende tabel 2 worden beoordeeld of de remwerking voldoende is;
      4. moet indien de gevonden waarden niet leiden tot een directe beslissing, een remproef op de weg plaatsvinden.
    2. Bij de beoordeling van het eerste lid, onderdeel d, wordt gebruik gemaakt van een geschikte remvertragingsmeter, indien deze aanwezig is. De remvertraging met de bijbehorende pedaalkracht wordt beoordeeld even voor het moment van blokkeren van één of meer wielen van het voertuig.
    3. Voertuigen in gebruik genomen vóór 01 juli 1967, waarop tabel 2 niet van toepassing is, moeten voldoen aan de voor het betrokken voertuig bepaalde remvertraging.
    Tabel 2, remtest op een rollenremtestbank

    Artikel 60 Bepalen van de remkrachten bedrijfsrem

    1. Voor het bepalen van de maximale remkrachten, bedoeld in artikel 59, onderdeel a, is het volgende van toepassing:
      1. de pedaalkracht die bij de voorste as wordt gebruikt, hoeft niet dezelfde te zijn als die van de achterste as of het achterste asstel;
      2. bij de remtest wordt het rempedaal langzaam ingetrapt en op het moment van aflezen vastgehouden;
      3. de maximale remkracht wordt bereikt wanneer:
        1. in een personenauto in gebruik genomen na 30 juni 1967, een pedaalkracht van 500 N wordt uitgeoefend;
        2. in een bedrijfsauto of bus in gebruik genomen na 30 juni 1967, een pedaalkracht van 700 N wordt uitgeoefend;
        3. één of meer wielen van het voertuig blokkeren, of
        4. de rollenremtestbank afslaat.
    2. Indien de remkracht op één wiel tussen twee waarden schommelt of de remkrachten op beide wielen tussen twee waarden schommelen, worden per wiel de minimale en maximale remkracht gemiddeld en wordt dit gemiddelde gebruikt als de remkracht voor dat wiel.

    Artikel 61 Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem

    Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.

    Artikel 63 Bepalen remvertraging parkeerrem

    Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.

    § 2.2. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen

    Artikel 64 Gebruik van de rollenremtestbank

    1. De beproeving wordt uitgevoerd volgens de procedure zoals beschreven in de gebruiksaanwijzing van de rollenremtestbank.
    2. Het resultaat van de rembeproeving wordt op een printuitdraai van de rollenremtestbank gepresenteerd en aan de hand van de gepresenteerde gegevens wordt bepaald of het voertuig voldoet aan de wettelijke remvertraging.
    3. Indien de beproeving niet kan worden uitgevoerd volgens de procedure zoals beschreven in de gebruiksaanwijzing van de rollenremtestbank, wordt de remvertraging bepaald door:
      1. per as de maximale remkrachten vast te stellen, en
      2. de totale remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.

    Artikel 65 Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem

    1. De extrapolatiedruk bij bedrijfsauto’s en bussen wordt gesteld op 7,0 bar, tenzij uit documentatie van de voertuigfabrikant of de gegevens op de ALR/ABS-EBS plaat wordt aangetoond dat deze druk hoger is. De extrapolatiedruk voor die as is dan gelijk aan deze hogere druk.
    2. De extrapolatiedruk van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2012 wordt gesteld op 6,5 bar. De extrapolatiedruk van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 2011 wordt gesteld op 7,0 bar. Indien het een aanhangwagen betreft met een éénleidingremsysteem, wordt de extrapolatiedruk gesteld op 4,5 bar.

    Artikel 66 Bepaling remkrachten bedrijfsrem

    Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:

    1. de pedaalkracht respectievelijk de remdruk hoeft niet bij alle assen gelijk te zijn;
    2. bij de remtest moet het rempedaal langzaam worden ingetrapt en kort voor het bereiken van de blokkeergrens enige tijd worden vastgehouden, de aanwijzingen van de remtestinrichting moeten worden opgevolgd;
    3. de maximale remkracht wordt bereikt wanneer:
      1. een pedaalkracht van 700 N wordt uitgeoefend, dan wel de maximale remcilinderdruk wordt bereikt;
      2. één of meer wielen van het voertuig blokkeren, of
      3. de rollenremtestbank afslaat.

    Artikel 67 Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem

    Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.

    Artikel 68 Bepalen remvertraging parkeerrem

    Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg.

    § 2.3. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten

    Artikel 69 Referentieremkracht

    De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s² in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s² in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.

    Artikel 70 Bepalen remvertraging bedrijfsrem

    1. De referentiewaarden worden vastgesteld bij de door de fabrikant opgegeven druk in de luchtdrukremcilinders die zo dicht mogelijk ligt bij de druk in de luchtdrukremcilinder op het moment van slip, maar tenminste bij een druk van 2,5 bar.
    2. Indien de referentieremkrachten door de fabrikant zijn vastgesteld bij een remvertraging van 5,0 m/s², worden de referentieremkrachten, indien van toepassing, herberekend met de factor 4,5/5,0. Indien de referentieremkrachten, indien van toepassing, voor een oplegger zijn vastgesteld bij een remvertraging van 4,5m/s², worden de referentieremkrachten herberekend met de factor 4,0/4,5.
    3. Met de door de fabrikant gegeven meetcondities en toleranties dient rekening te worden gehouden waarbij, indien vereist, specifieke gegevens worden vergeleken.

    Artikel 71 Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem

    Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.

    Artikel 72 Bepalen remvertraging parkeerrem

    Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.

    § 2.4. Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg

    Artikel 73 Bepaling remvertraging bedrijfsrem

    Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaatsvindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd:

    1. moeten, nadat de gesimuleerde belasting is aangebracht, per as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld;
    2. moet de bij de remproef behaalde remvertraging worden berekend door de remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa onder de assen.

    Artikel 74 Bepaling remkrachten bedrijfsrem

    1. Bij de vaststelling van de maximale remkrachten, bedoeld in artikel 73, moet het volgende in acht worden genomen:
      1. bij de remtest moet de remwerking door middel van het activeren van de remmodule (EBC) langzaam worden opgevoerd en op het moment van aflezen worden vastgehouden;
      2. de maximale remkracht wordt bereikt wanneer:
        1. één of meer wielen van het voertuig blokkeren, of
        2. de rollenremtestbank afslaat.
    2. Indien de wielen niet blokkeren of de rollenremtestbank niet afslaat bij de maximale remkracht gelden de dan afgelezen remkrachten als maximale remkrachten.
    3. Indien de remkracht op één wiel tussen twee waarden schommelt of de remkrachten op beide wielen van een as tussen twee waarden schommelen, moeten per wiel de minimale en maximale remkracht worden gemiddeld en wordt dit gemiddelde gebruikt als remkracht voor dat wiel.

    Artikel 75 Maximale remkrachten bedrijfsrem:

    Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.

    Artikel 76 Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem

    1. Voor de toepassing van de formule wordt verstaan onder:
    2.   a vol = berekende relatieve remvertraging;
       F b(n) = som van de remkrachten aan de wielen per as ‘n’;
       m max = maximale massa onder de assen;

    3. Van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg moet de vaststelling van de remvertraging van de bedrijfsrem plaatsvinden volgens de volgende formule:
    formule artikel 76

    § 3. Platenremtestbank

    § 3.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg

    Artikel 77 Bepalen remvertraging

    Voor het bepalen van de remvertraging:

    1. moet gebruik worden gemaakt van een pedaalkrachtmeter waarbij het mogelijk is om, door middel van arreteerstand, na afloop van de remproef de daarbij gebruikte pedaalkracht af te lezen;
    2. moet de snelheid bij de aanvang van de remproef ongeveer 10 km/h bedragen;
    3. moeten de remkrachten worden vastgesteld direct vóór het moment van blokkeren van één of meer wielen van het voertuig;
    4. moet de remproef op iedere as twee maal worden uitgevoerd. Indien de met deze proeven behaalde remkrachten aan de wielen per as, mede gelet op de gebruikte pedaalkracht, nagenoeg gelijk zijn, worden deze gebruikt voor het bepalen van de remvertraging. Indien de met deze proeven behaalde remkrachten aan de wielen per as niet nagenoeg gelijk zijn, moet per as een derde remproef worden uitgevoerd. De behaalde remkrachten aan de wielen van deze laatste proef en van de voorgaande proef die de behaalde remkrachten aan de wielen het dichtst benadert, worden gebruikt voor het bepalen van de remvertraging;
    5. moeten de remkrachten, die aldus zijn verkregen uit twee remproeven per as, bij elkaar worden opgeteld en worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand, vermenigvuldigd met twee. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet worden gerekend met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg en vermenigvuldigd met twee.

    Artikel 78 Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem

    Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:

    1. kunnen de resultaten van de remproeven voor het bepalen van de remvertraging van de bedrijfsrem worden gebruikt;
    2. moet de beoordeling van de resultaten geschieden aan de hand van de bij dit artikel behorende tabel 3, waarin de vermelde percentages zijn gerelateerd aan de hoogst gemeten remkracht.
    Tabel 3 Verschil in remwerking links en rechts op platenremtestbank DocumentTabel 3. Verschil in remwerking links en rechts op platenremtestbank (pdf, 7kb) 

     

    Artikel 81 Bepalen remvertraging parkeerrem

    Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:

    1. moet de snelheid bij de aanvang van de remproef ongeveer 10 km/h bedragen;
    2. moet het voertuig aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan;
    3. moeten de bij de remproef aan de wielen behaalde remkrachten worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet worden gerekend met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.

    § 4. Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter

    § 4.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus

    Artikel 82 Pedaalkracht bedrijfsrem

    Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.

    Artikel 83 Bepalen remvertraging

    De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:

    1. indien door de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de minimaal behaalde remvertraging;
    2. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten remvertragingen, die gelijk of groter zijn aan de minimaal vereiste remvertraging en gedurende minimaal een halve seconde zijn gemeten;
    3. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a of b kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld:
      1. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging bepalend;
      2. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend.

    Artikel 84 Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem

    Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg:

    1. moet in geval van een personenauto geremd worden tot de hoogst bereikbare remvertraging, met een maximum van 8 m/s²;
    2. moet in geval van een bedrijfsauto of bus geremd worden tot de minimaal vereiste remvertraging, zoals voor de betreffende voertuigcategorie is vermeld in hoofdstuk 5 van deze regeling;
    3. is het gebruik van een remvertragingsmeter niet noodzakelijk.

    Artikel 85 Bepalen remvertraging parkeerrem

    De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.

    § 4.2. Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg

    Artikel 86 Voorwaarden beproeving bedrijfsrem

    1. De bedrijfsrem van de aanhangwagen moet regelbaar en onafhankelijk van het trekkende motorvoertuig kunnen worden bediend. Dit geschiedt door middel van de strekrem die de volledige druk van de bedrijfsrem kan doorsturen of met behulp van een inrichting waarmee vanuit het trekkende motorvoertuig door middel van de bedrijfsrem van de aanhangwagen het samenstel van voertuigen kan worden afgeremd, waarbij het functioneren van de bedrijfsrem van het samenstel niet mag worden beïnvloed.
    2. De gewichtsverhouding tussen het trekkende motorvoertuig en de aanhangwagen mag niet extreem groot zijn.

    Artikel 87 Bepalen remvertraging bedrijfsrem

    Bij het bepalen van de remvertraging moet het volgende in acht worden genomen:

    1. de ingestuurde druk door middel van de strekrem of de inrichting, bedoeld in artikel 86, eerste lid, moet worden opgevoerd tot de blokkeergrens van één of meer wielen, waarna met een iets lagere druk de remvertraging wordt geregistreerd;
    2. indien door de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de gemiddelde remvertraging van de combinatie;
    3. indien de remvertraging niet volgens onderdeel b kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten remvertragingen die gedurende minimaal een halve seconde zijn gemeten;
    4. indien de remvertraging niet volgens de onderdelen b of c kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld:
      1. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging bepalend;
      2. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend.

    Artikel 88 Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem

    De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
    Formule artikel 88

    Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    • aahw = remvertraging aanhangwagen;
    • a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
    • m tot.geremd = de in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig is vermeld, geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de totale gemeten massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;
    • m ahw = de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig of, anders dan bij de perodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.