Koppelinrichting (algemeen)

Artikel 5.3.66

Actuele regelgeving

  1. 1.

    Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.68, tweede lid, onderdeel h. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in Aanvullende permanente eisen, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.
    Wijze van keuren
    Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
    Aanvullende permanente eisen
    Hoofdstuk 1, titel 2, afdeling 1, 2, 3

    Hoofdstuk 1 Voertuigeisen

    Titel 2. Algemene bouwwijze van het voertuig

    Afdeling 1. Voertuigen zonder een volledig dragend chassis

    Artikel 4

    1. In deze afdeling wordt verstaan onder:
      roestschade: door corrosie over de gehele dikte verdwenen materiaal.
    2. Roestschade wordt per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat uitgedrukt in de schade-eenheid 'E'.

    Artikel 5

    De in Documentannex 1  (pdf, 254kb)vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.

    Artikel 6

    Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden 'E', moet de volgende procedure worden gevolgd:

    1. de roestschade-omvang wordt per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat in procenten bepaald volgens het van toepassing zijnde beoordelingsprincipe zoals vermeld in deze afdeling;
    2. aan de hand van Documentannex 1  (pdf, 254kb)  wordt de te hanteren roestschadegradatie bij maximaal functieverlies van het beschadigde onderdeel, de beschadigde bevestiging van een onderdeel dan wel de beschadigde sectie van de bodemplaat bepaald;
    3. het onder a bepaalde percentage roestschade wordt vermenigvuldigd met de onder b bepaalde roestschadegradatie.

    Artikel 7

    1. De bepaling van de roestschade-omvang van langs- en dwarsliggers geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
      1. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde deel van de omtrek en de gehele omtrek van de dwarsdoorsnede, een eventuele versterking in de langs- of dwarsligger daarbij inbegrepen. Bij de berekening van de omtrek van de dwarsdoorsnede worden de bevestigingsflenzen niet meegerekend, en
      2. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen de lengte van de schade en de werkelijke lengte van de langs- of dwarsligger tussen de draagpunten, zoals weergegeven in figuur 1, of zoals bij het betreffende onderdeel in Documentannex 1 (pdf, 254kb) is omschreven. Voor de bepaling van de roestschade worden de bevestigingsflenzen meegerekend.
    2. Indien een plaatdeel samen met een voorgevormd profiel een koker vormt, wordt het geheel beoordeeld als een langs- of dwarsligger.

    Figuur 1. Lengte langs- en dwarsliggers tussen de draagpunten
    Figuur 1. Lengte langs- en dwarsliggers tussen de draagpunten.

    Artikel 8

    1. Voor de bepaling van de roestschade-omvang van de bodemplaat van de personenruimte wordt de bodemplaat in secties verdeeld, zoals weergegeven in figuur 2, waarna elke sectie afzonderlijk wordt beoordeeld.
    2. De secties worden gevormd door de volgende sectielijnen:
      Sectielijn 1: de middenkoker of de lengtehartlijn.
      Sectielijn 2: het begin van de vlakke bodemplaat.
      Sectielijn 3: de dwarsligger ter plaatse van de voorzijde van de voorste zitplaatsen of indien ter plaatse geen dwarsligger aanwezig is de voorzijde van de voorste zitplaatsen in de achterste gebruiksstand.
      Sectielijn 4: elke voorzijde van de achter de voorste zitplaatsen (achter elkaar) gelegen zitplaatsen in de achterste gebruiksstand.
      Sectielijn 5: het einde van de bodemplaat onder de personenruimte.
    Figuur 2. Sectieverdeling bodemplaat personenruimte

    Figuur 2. Sectieverdeling bodemplaat personenruimte

    Artikel 9

    1. De bepaling van de roestschade-omvang van de bodemplaat van de personenruimte geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
      1. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde oppervlak van de sectie en het gehele oppervlak van de sectie, en
      2. de verhouding tussen de lengte van de schade aan de randen van de sectie en de totale randlengte van de sectie.
    2. Roestschade die doorloopt in verschillende secties moet worden beoordeeld als schade die aanwezig is in de grootste van de betrokken secties.
    3. Bij dubbele bodemplaten wordt de bovenste plaat beoordeeld zoals is aangegeven in het eerste lid; de onderste plaat wordt beoordeeld als één grote sectie.
    4. Indien een gedeelte van de bodemplaat tevens deel uitmaakt van een langs- of dwarsligger (koker), moet dit gedeelte worden meegerekend voor de bepaling van het oppervlak dan wel de randlengte.

    Artikel 10

    De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:

    1. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde oppervlak en het gehele oppervlak, en
    2. de verhouding tussen de totale lengte van de schade aan de randen en de totale randlengte, en
    3. de verhouding tussen de lengte van de schade per zijde van de wielkast en de bevestigingslengte van die zijde aan een ander onderdeel.

    Artikel 11

    1. De bepaling van de roestschade-omvang van plaatdelen, met uitzondering van de bodemplaat en de wielkasten, geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
      1. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde oppervlak en het gehele oppervlak, en
      2. de verhouding tussen de lengte van de schade aan de randen en de totale randlengte.
    2. Indien een gedeelte van een plaatdeel tevens deel uitmaakt van een langs- of dwarsligger (koker), moet dit gedeelte worden meegerekend voor de bepaling van het oppervlak dan wel de randlengte.

    Artikel 12

    1. De roestschade-omvang van de bevestiging van onderdelen, met uitzondering van de bevestiging van plaatdelen en wielkasten, wordt bepaald door een schatting te maken omtrent de afname in procenten van de sterkte van de bevestiging van het ene onderdeel aan het andere, in het gebied dat wordt omsloten door een denkbeeldige lijn gelegen op een afstand van 100 mm rondom de bevestiging.
    2. De roestschade in het gebied buiten de denkbeeldige lijn wordt buiten beschouwing gelaten.

    Artikel 13

    De beoordeling van roestschade vindt plaats:

    1. door visuele controle, terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, en
    2. in geval van twijfel: 
      1. door gebruik te maken van een hamertje met een bolle of afgeronde kop;
      2. door middel van meten met een meetmiddel van voldoende bereik.

    Afdeling 2. Voertuigen met een volledig dragend chassis

    § 1. Chassisraam

    Artikel 14

    1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
      roestschade: gedeeltelijk door corrosie verdwenen materiaal.
    2. Roestschade in het chassisraam wordt per langs- of dwarsligger dan wel per profiel uitgedrukt in procenten.

    Artikel 15

    1. De langs- en dwarsliggers en asbevestigingen van het chassisraam, de trekinrichting van een middenasaanhangwagen, en alle profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikrans of opleggerkoppeling dan wel koppelingsplaat mogen niet meer roestschade hebben dan het percentage genoemd in Documentannex 2 (pdf, 166kb) bij deze bijlage.
    2. De beoordeling van de roestschade-omvang van de langs- en dwarsliggers van het chassisraam geschiedt aan de hand van de lengte van de langs- en dwarsliggers tussen de draagpunten.
    3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, moeten langs- en dwarsliggers van het chassisraam die uitsluitend voor de ondersteuning van de laadvloer zijn aangebracht, als hulplangs- of hulpdwarsbalk worden aangemerkt waarop paragraaf 2 van deze afdeling van toepassing is.
    4. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, is op langs- en dwarsliggers en asbevestigingen van het chassisraam die zijn vervaardigd uit plaatmateriaal waarvan de dikte maximaal 2 mm bedraagt, paragraaf 2 van deze afdeling van toepassing.
    5. Op een gedeeltelijk zelfdragende carrosserie in combinatie met een chassisraam zijn voor het zelfdragende deel de eisen van afdeling 1 van toepassing.

    § 2. Overige onderdelen

    Artikel 16

    1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
      roestschade: door corrosie over de gehele dikte verdwenen materiaal.
    2. Roestschade wordt per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel uitgedrukt in de schade-eenheid 'E'.

    Artikel 17

    De in Documentannex 3 (pdf, 273kb) vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.

    Artikel 18

    Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden 'E', moet de volgende procedure worden gevolgd:

    1. de roestschade-omvang wordt per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel in procenten bepaald volgens het van toepassing zijnde beoordelingsprincipe;
    2. aan de hand van Documentannex 3 (pdf, 273kb) wordt de te hanteren roestschadegradatie bij maximaal functieverlies van het beschadigde onderdeel of de beschadigde bevestiging van een onderdeel bepaald;
    3. het percentage roestschade, bedoeld in onderdeel a, wordt vermenigvuldigd met de in roestschadegradatie, bedoeld in onderdeel b.

    Artikel 19

    1. De bepaling van de roestschade-omvang van langs- en dwarsliggers geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is: 

      1. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde deel van de omtrek en de gehele omtrek van de dwarsdoorsnede, een eventuele versterking in de langs- of dwarsligger daarbij inbegrepen. Bij de berekening van de omtrek van de dwarsdoorsnede worden de bevestigingsflenzen niet meegerekend, en
      2. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen de lengte van de schade en de werkelijke lengte van de langs- of dwarsligger tussen de draagpunten, zoals weergegeven in figuur 3, of zoals bij het betreffende onderdeel in Documentannex 3 (pdf, 273kb)  is omschreven. Voor de bepaling van de roestschade worden de bevestigingsflenzen meegerekend.  
    2. Indien een plaatdeel samen met een voorgevormd profiel een koker vormt, wordt het geheel beoordeeld als een langs- of dwarsligger.

      Figuur 3. Lengte dwars- of langsligger tussen de draagpunten
    3. Figuur 3. Lengte dwars- of langsligger tussen de draagpunten.

    Artikel 20

    1. De bepaling van de roestschade-omvang van plaatdelen geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:

      1. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde oppervlak en het gehele oppervlak, en
      2. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen de lengte van de schade aan de randen en de totale randlengte.
    2. Indien een gedeelte van een plaatdeel tevens deel uitmaakt van een langs- of dwarsligger (koker), moet dit gedeelte worden meegerekend voor de bepaling van het oppervlak dan wel de randlengte.

    Artikel 21

    1. De roestschade-omvang van de bevestiging van onderdelen, met uitzondering van de bevestiging van plaatdelen, wordt bepaald door een schatting te maken omtrent de afname in procenten van de sterkte van de bevestiging van het ene onderdeel aan het andere in het gebied dat wordt omsloten door een denkbeeldige lijn, gelegen op een afstand van 100 mm rondom de bevestiging.
    2. De roestschade in het gebied buiten de denkbeeldige lijn wordt buiten beschouwing gelaten.

    Artikel 22

    De beoordeling van roestschade vindt plaats:

    1. door visuele controle, terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, en
    2. in geval van twijfel: 
      1. door gebruik te maken van een hamertje met een bolle of afgeronde kop;
      2. door middel van meten met een meetmiddel van voldoende bereik.

    Afdeling 3. Roestschadereparatie

    Artikel 23

    Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.

    Artikel 24

    1. Voor alle onderdelen, bevestigingen van onderdelen of secties van de bodemplaat waarvoor een roestschadegradatie is gegeven, geldt dat:
      1. reparaties met pasklare gedeelten, waarbij elk deel deugdelijk aan het oorspronkelijke materiaal is gelast, toegestaan zijn;
      2. vervanging van delen is toegestaan mits deugdelijk gelast dan wel bevestigd met bouten, indien de oorspronkelijke bevestiging heeft plaatsgevonden door middel van bouten of klinknagels;
      3. een reparatie die niet volgens onderdeel a of b is uitgevoerd, als roestschade wordt aangemerkt en beoordeeld, waarbij de grootte van de reparatie wordt gezien als de grootte van de roestschade, tenzij anders wordt aangetoond.
    2. Onder deugdelijk gelast als genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt verstaan:
      1. kettinglassen welke ten minste 50% van de omtrek van het te lassen gedeelte bestrijken en goed zijn verdeeld over die omtrek, of
      2. proplassen (gatlassen) met ten minste een diameter van 4 mm en een onderlinge afstand van niet meer dan 20 mm.

    Artikel 25

    1. De trekinrichting van een middenasaanhangwagen, langs- en dwarsliggers en asbevestigingen die deel uitmaken van het chassisraam, bedoeld in paragraaf 1 van afdeling 2, mogen niet zijn gerepareerd met plaatdelen welke over de roestschade zijn aangebracht.
    2. In afwijking van het eerste lid mogen de trekinrichting van een middenasaanhangwagen en een aanhangwagen met een stijve dissel, langs- en dwarsliggers en asbevestigingen wel gerepareerd worden met plaatdelen welke over de roestschade zijn aangebracht, indien de dikte van deze plaatdelen ten minste gelijk is aan de grootste dikte van het te repareren deel. De plaatdelen moeten deugdelijk zijn gelast. Hieronder worden verstaan kettinglassen welke ten minste 75% van de omtrek van het te lassen gedeelte bestrijken. De lassen moeten goed zijn verdeeld over de omtrek.
    3. De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikrans of opleggerkoppeling dan wel koppelingsplaat mogen niet zijn gerepareerd met plaatdelen welke over de roestschade zijn aangebracht.

    Artikel 26

    Een afwijkende reparatie, zoals bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.

    Artikel 27

    De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:

    1. door visuele controle, terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, en
    2. in geval van twijfel door middel van meten met een meetmiddel van voldoende bereik.

    DocumentRekenvoorbeelden roestschade. (pdf, 437kb) 

    Toelichting

    Het keuren van een BE-combinatie

    De voorste achteras hoort bij de bedrijfsauto (APK2). De achterste achteras hoort bij de oplegger die door middel van een opleggerkoppeling aan de bedrijfsauto is gekoppeld.
    Bij het keuren van deze BE-combinatie moet de voertuig-combinatie altijd ontkoppeld worden. Dit is nodig om de schotelkoppeling op de volgende punten te kunnen controleren:
    - de bevestiging (deugdelijk)
    - slijtage
    - eventuele scheurvorming
    - breuken
    - vervormingen

    Let er voor de keuring op dat u over twee manometers en bijpassende aansluitkoppen (luchthandjes) beschikt als de bedrijfsauto een aanhangwagen drukluchtremsysteem heeft. Ook moet u de speling van de sluitinrichting van de schotelkoppeling kunnen controleren.
    De bedrijfsauto wordt gekeurd volgens de APK2-eisen. De aanhangwagen volgens de APK1-eisen. Om de hele BE-combinatie te kunnen keuren moet de keuringsinstantie dus beschikken over een APK1- én APK2-erkenning. Een andere mogelijkheid is om de combinatie in twee keer te keuren, op verschillende locaties. In beide gevallen moet de schotelkoppeling van het bedrijfsauto-onderdeel en het aanhangwagendeel apart worden beoordeeld.

    66 - 3L 12 - Het keuren van een BE-combinatie

    Wel of geen koppelingskogel aanwezig

    Afneembare kogel
    Is een afneembare trekhaakkogel niet aanwezig of niet gemonteerd, dan hoeft u deze ook niet te controleren. Ook niet als de trekhaakkogel zich bijvoorbeeld los in de kofferbak bevindt. Het gedeelte van de constructie dat aan/onder het voertuig is gemonteerd moet u wel beoordelen als deel van de trekinrichting (trekhaak).

    Wanneer wordt een trekinrichting niet meer als trekinrichting beoordeeld

    Is het onmogelijk (geworden) om een aanhangwagenkoppeling aan te brengen, dan hoeft u het gemonteerde deel aan/onder het voertuig niet als deel van de trekinrichting te beoordelen. Dit geldt bijvoorbeeld bij een vaste trekhaak waar de kogel is afgezaagd.  

    Bouten en moeren in de bevestiging van de koppelingsconstructie

    Heeft een voertuig een inrichting voor het koppelen van een aanhangwagen, dan moet deze inrichting goed zijn bevestigd. De inrichting mag niet gescheurd, gebroken, vervormd zijn of door corrosie zijn aangetast.  

    Een inrichting voor het koppelen van een aanhangwagen moet zijn gemonteerd met bevestigingsbouten die noodzakelijk zijn voor de montage van de koppelingsconstructie.  

    Er worden koppelingsconstructies gebruikt, die voor meerdere type modellen van een voertuigmerk te gebruiken zijn. In de schetsplaten zitten meerdere boutgaten. Het verschilt per type welke gaten gebruikt zijn.  

    Voertuigen met een koppelingsconstructies waarbij meerdere boutgaten in de achtertraverse zitten, worden ook niet altijd alle boutgaten gebruikt. De keurmeester beoordeelt of de montage goed is.

    Inklapbare trekhaakinrichting

    Een inklapbare trekhaakinrichting beoordeelt u in de stand zoals deze is aangeboden tijdens de keuring. De onderdelen die zichtbaar zijn, moet u beoordelen. Bijvoorbeeld de kogel en de bevestiging van de koppeling. De bediening van de trekhaakinrichting hoeft u tijdens de keuring niet te beoordelen.

  2. 2.

    De achtertraverse met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag:

    1. geen breuken of scheuren vertonen;
    2. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
    Wijze van keuren
    Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.