Uitwendige veiligheid o.a. wiel- en zijdelingse afscherming

Artikel 5.3.48

Actuele regelgeving

  1. 1.

    Bedrijfsauto’s mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
    Wijze van keuren
    Visuele controle
    Toelichting

    Bevestiging sneeuwschuiver

    De bevestigingsbok voor een sneeuwschuiver moet deugdelijk zijn afgeschermd met een kunststof kap.


    sneeuwschuiverplaat niet afgedekt

    Afkeur

    Foto: Bok zonder afschermplaat


    sneeuwschuiverplaat afgedekt

    Goedkeur
    Foto: Bok met afschermplaat

    Verticale profiel voorzijde zijdelingse afscherming

    Het verticale profiel aan de voorzijde wordt niet in de eisen genoemd en is dus niet noodzakelijk, tenzij de voorzijde van de zijdelingse afscherming als scherp deel wordt aangemerkt.
    De uitvoering van de zijdelingse afscherming hoeft niet als op de afbeelding te zijn uitgevoerd, een geheel gesloten vlak is ook toegestaan.
    De afscherming in onderstaande afbeelding is verplicht op bedrijfsauto's met een datum eerste toelating na 31 december 1997. Bij een datum eerste toelating vóór 1 januari 1998 gelden andere eisen over de afmetingen, zie hiervoor de Aanvullende permanente eisen.

    48 - 3Z 12 - Zijdelingse afscherming toelichting 1

    Figuur 28. Zijdelingse afscherming bedrijfsauto

  2. 2.

    Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van bedrijfsauto’s, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
    Wijze van keuren
    Visuele controle
    Toelichting

    Bevestiging sneeuwschuiver

    De bevestigingsbok voor een sneeuwschuiver moet deugdelijk zijn afgeschermd met een kunststof kap.


    sneeuwschuiverplaat niet afgedekt

    Afkeur

    Foto: Bok zonder afschermplaat


    sneeuwschuiverplaat afgedekt

    Goedkeur
    Foto: Bok met afschermplaat

  3. 3.

    In aanvulling op het bepaalde in het eerste en tweede lid, mogen bedrijfsauto’s aan de voorzijde niet zijn voorzien van voorzieningen die in geval van botsing de kans op lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten.
    Wijze van keuren
    Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
  4. 4.

    Het bepaalde in het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op voertuigdelen en voorzieningen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
    Wijze van keuren
    Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
  5. 5.

    De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto’s:

    1. met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na
      31 december 1974:
      1. moeten zijn afgeschermd, en
      2. mogen niet aanlopen.
        Hierbij is het bepaalde in Aanvullende permanente eisen, artikelen 102 tot en met 106c, van toepassing.
    2. met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen vóór 1 januari 1975:
      1. moeten goed zijn afgeschermd, en
      2. mogen niet aanlopen.
    3. n.v.t. voor zware bedrijfsauto's.
    Wijze van keuren
    Visuele controle
    Aanvullende permanente eisen
    Artikel 102

    1. Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1974 moeten ten aanzien van de wielafscherming voldoen aan de artikelen 103 tot en met 106.
    2. Het eerste lid is niet van toepassing op opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en waarvan de som van de aslasten niet meer bedraagt dan
      3.500 kg.

    Artikel 103

    De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.

    Figuur 26. Projectievlak

    Figuur 26. Projectievlak

    Artikel 104
    1. De wielen van de achterste as moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een wielafscherming die niet mag eindigen boven een denkbeeldig horizontaal vlak gelegen op 0,15 m boven het middelpunt van de wielen en op niet meer dan 0,30 m achter het wiel. Bovendien moet het achterste gedeelte minimaal reiken tot de denkbeeldige lijn die een hoek van 45° vormt met het wegdek, zoals weergegeven in
      figuur 27.
    2. Indien de achterste wielen zijn bestuurd of gestuurd, is de maat van 0,30 m niet van toepassing, zoals weergegeven in figuur 27.

    Figuur 27. Uiteinde wielafscherming

    Figuur 27. Uiteinde wielafscherming

    Artikel 105
    1. De wielafscherming moet:
      1. vormvast zijn, en
      2. deugdelijk zijn bevestigd.
    2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, is, indien het een voertuig betreft in gebruik genomen vóór 1 januari 1995, een permanent aangebracht roldoek toegestaan.
    3. Aan het eerste lid wordt voldaan indien de wielafscherming bestaat uit een constructie van scharnierende of verschuifbare delen dan wel gevormd wordt door een demontabele afscherming waarvoor een opbergruimte op het voertuig aanwezig is.
    4. Een eventuele spatlap aan de achterzijde van het wiel is als wielafscherming toegestaan, mits deze vormvast is of voldoende ondersteund.
    Artikel 106

    Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.

    § 1a. Opspatafscherming

    Artikel 106a

    1. Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2016 met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg en aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 2016 waarbij de som van de aslasten meer bedraagt dan 3.500 kg, moeten zijn voorzien van een deugdelijke opspatafscherming die de verstuiving van water door de banden beperkt en voldoet aan de artikelen 106b en 106c.
    2. Het eerste lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s die een aantekening in het kentekenregister ‘G’ hebben.

     

    Artikel 106b

    De opspatafscherming moet:

    1. zijn aangebracht achter de wielen van de vooras of voorassen en achter de wielen van de achterste achteras;
    2. reiken tot maximaal 30 cm boven het wegdek;
    3. minimaal de gehele breedte van het loopvlak van de band bedekken, en
    4. deugdelijk zijn bevestigd.

    Artikel 106c

    Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.

    Toelichting

    Wielafscherming

    Een afneembare bovenbouw of container is geen deel van de permanente opbouw en kan dus niet dienen als deel van de wielafscherming.

    Opspatafscherming of spatlap

    Wordt er in de aanvullende permanente eisen (artikel 106a) aangegeven dat een opspatafscherming verplicht is en er is alleen een spatlap gemonteerd waarbij de binnenzijde glad is dit geen opspatafscherming zoals bedoeld in artikel 106a die het opspatten van verstoven water (sproeiwater) vermindert moet het voertuig hierop worden afgekeurd.

  6. 6.

    Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in Aanvullende permanente eisen, artikelen 107 tot en met 111, van toepassing. De eerste volzin is niet van toepassing op opleggertrekkers.
    Wijze van keuren
    Visuele controle
    Aanvullende permanente eisen
    Artikel 107
    1. Bedrijfsauto's en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969 met uitzondering van middenasaanhangwagens, aanhangwagens met een stijve dissel en dolly's, moeten ten aanzien van de zijdelingse afscherming voldoen aan de artikelen 108 tot en met artikel 111.
    2. Het eerste lid is niet van toepassing op opleggers met een toegestane maximummassa van meer dan
      3.500 kg en waarvan de som van de aslasten niet meer bedraagt dan 3.500 kg.

    Nieuw per: 1-1-2016

    Artikel 108

    Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:

    1. met betrekking tot de bedrijfsauto, het verticale vlak dat begint op ten hoogste 30 cm achter de cabine, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel op ten hoogste 50 cm achter het achterste voorwiel en eindigt op 50 cm voor het voorste achterwiel (zie figuur 28),
    2. met betrekking tot de autonome aanhangwagen, het verticale vlak dat begint op ten hoogste 50 cm achter het achterste voorwiel en eindigt op 50 cm voor het voorste achterwiel (zie figuur 29),
    3. met betrekking tot de oplegger, het verticale vlak dat begint op ten hoogste 25 cm achter het hart van de opleggersteunen, met een maximum van 275 cm achter hart koppelingspen en eindigt op 50 cm voor het voorste achterwiel (zie figuur 30).

    Figuur 28. Zijdelingse afscherming bedrijfsauto

    Figuur 28. Zijdelingse afscherming bedrijfsauto

    Figuur 29. Zijdelingse afscherming autonome aanhangwagen

    Figuur 29. Zijdelingse afscherming autonome aanhangwagen

    Figuur 30. Zijdelingse afscherming oplegger

    Figuur 30. Zijdelingse afscherming oplegger

    Artikel 109
    1. Bij bedrijfsauto's en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969 maar voor 1 januari 1998, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden, bedoeld in artikel 108, voldoen aan de volgende eisen:
      1. de onderrand van de zijdelingse afscherming mag zich op niet meer dan 130 cm boven het wegdek bevinden;
      2. de hoogte van de horizontaal gemonteerde profielen moet ten minste 3 cm zijn;
      3. de zijdelingse afscherming kan onder meer worden gevormd door permanent aanwezige carrosseriedelen, randprofielen, wielafscherming, accubakken, lucht- of brandstof reservoirs en gereedschapskisten, dan wel door afzonderlijk aangebrachte vormvaste delen;
      4. de zijdelingse afscherming dient deugdelijk te zijn bevestigd;
      5. de zijdelingse afscherming mag in lengterichting niet meer dan 30 cm zijn onderbroken;
      6. de zijdelingse afscherming moet aanwezig zijn op een afstand van niet meer dan 15 cm binnenwaarts ten opzichte van het breedste punt van het voertuig.
    2. Indien het voertuig uitschuifbaar is, worden het eerste lid, onderdeel e, en artikel 108 buiten beschouwing gelaten indien het voertuig is uitgeschoven.
    Artikel 110
    1. Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1997, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden, bedoeld in artikel 108, voldoen aan de volgende eisen (zie figuren 28, 29 en 30):
      1. de zijdelingse afscherming moet zijn opgebouwd uit één of meerdere horizontaal gemonteerde profielen;
      2. de onderlinge afstand van de profielen mag niet meer zijn dan 30 cm;
      3. de profielhoogte moet ten minste 5 cm zijn;
      4. de onderrand van de zijdelingse afscherming mag zich op niet meer dan 55 cm boven het wegdek bevinden;
      5. de bovenrand van de zijdelingse afscherming mag zich niet verder dan 35 cm onder de bovenbouw bevinden, of de bovenrand moet zich op 95 cm boven het wegdek bevinden. De bovenzijde van de bevestigingspunten van een wisselbare opbouw wordt daarbij als bovenbouw beschouwd. De bovenrand hoeft niet hoger te liggen dan de bovenzijde van de langsliggers van het chassis of de laadvloer;
      6. de zijdelingse afscherming moet aanwezig zijn op een afstand van niet meer dan 15 cm binnenwaarts ten opzichte van het breedste punt van het voertuig;
      7. de zijdelingse afscherming mag in lengterichting niet meer dan 5 cm zijn onderbroken;
      8. de zijdelingse afscherming kan onder meer worden gevormd door permanent aanwezige carrosserie delen, randprofielen, wielafscherming, accubakken, lucht - of brandstofreservoirs en gereedschapskisten, dan wel door afzonderlijk aangebrachte vormvaste delen;
      9. de zijdelingse afscherming dient deugdelijk te zijn bevestigd.
    2. Indien het voertuig uitschuifbaar is, worden het eerste lid, onderdeel g, en artikel 108 buiten beschouwing gelaten indien het voertuig is uitgeschoven.
    3. Bij een voertuig met uitschuifbare steunen mag de onderbreking van de zijdelingse afscherming niet groter zijn dan noodzakelijk voor het uitschuiven van de steunen.
    Artikel 111

    De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:

    1. door middel van visuele controle,
    2. door in geval van twijfel te meten met een meetmiddel van voldoende bereik, waarbij het volgende in acht moet worden genomen:
      1. het voertuig is op een horizontaal of nagenoeg horizontaal en vlak wegdek geplaatst,
      2. alle wielen zijn in de stand van rechtuitrijden geplaatst,
      3. de banden zijn op de juiste spanning,
    3. door het voertuig, indien het een oplegger betreft, zodanig op steunen te plaatsen dat de laadvloer zich in horizontaal toestand bevindt, dan wel in overeenstemming is met de normale rijstand.
    Toelichting

    Verticale profiel voorzijde zijdelingse afscherming

    Het verticale profiel aan de voorzijde wordt niet in de eisen genoemd en is dus niet noodzakelijk, tenzij de voorzijde van de zijdelingse afscherming als scherp deel wordt aangemerkt.
    De uitvoering van de zijdelingse afscherming hoeft niet als op de afbeelding te zijn uitgevoerd, een geheel gesloten vlak is ook toegestaan.
    De afscherming in onderstaande afbeelding is verplicht op bedrijfsauto's met een datum eerste toelating na 31 december 1997. Bij een datum eerste toelating vóór 1 januari 1998 gelden andere eisen over de afmetingen, zie hiervoor de Aanvullende permanente eisen.

    48 - 3Z 12 - Zijdelingse afscherming toelichting 1

    Figuur 28. Zijdelingse afscherming bedrijfsauto

  7. 7.

    Geen deel aan de buitenzijde van de bedrijfsauto mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
    Wijze van keuren
    Visuele controle