Snelheidsmeter, snelheidsbegrenzer, controleapparaat

Artikel 5.3.15

Actuele regelgeving

  1. 1.

    Bedrijfsauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.
    Wijze van keuren
    Visuele controle. De werking en afleesbaarheid wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
  2. 2.

    De volgende categorieën motorvoertuigen moeten zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer:

    1. bedrijfsauto’s met een dieselmotor, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen;
    2. bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen, en
    3. bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 12.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen.
    Wijze van keuren
    Visuele controle aan de hand van het installatieplaatje.
  3. 3.

    De snelheidsbegrenzer moet zijn afgesteld op een zodanige snelheid, dat de maximumsnelheid van bedrijfsauto’s, niet meer dan 90 km/h kan bedragen. De ingestelde snelheid is onuitwisbaar vermeld op een installatieplaatje dat op een duidelijk zichtbare plaats in de stuurcabine van het voertuig is aangebracht.
    Wijze van keuren
    Visuele controle of het installatieplaatje de juiste snelheid aangeeft. Tevens wordt, waar toepasbaar, met een diagnosesysteem vastgesteld of de ingestelde snelheid juist is.
    Toelichting

    Ontbreken installatieplaatje snelheidsbegrenzer

    Het ontbreken van een installatieplaatje van de snelheidsbegrenzer, wordt gezien als het niet aanwezig zijn van een snelheidsbegrenzer. Dit is reden tot afkeur.

    Snelheidsbegrenzer opnieuw ingesteld

    Is de ingestelde snelheid van de snelheidsbegrenzer verlaagt van 90 km/h naar 85 km/h, dan is dit geen reden tot afkeur. Het installatieplaatje geeft de maximale snelheid aan en deze snelheid mag altijd lager zijn.
  4. 4.

    De snelheidsbegrenzer en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen moeten met behulp van een verzegeling of door de noodzaak om speciale gereedschappen te gebruiken zijn beschermd tegen niet-toegestane bijstelling of onderbreking van de stroomvoorziening.
    Wijze van keuren
    Visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen.
  5. 5.

    Het tweede lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s:

    1. in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, en
    2. die blijkens een voor het betrokken voertuig opgenomen aantekening in het kentekenregister niet van een snelheidsbegrenzer behoeven te zijn voorzien.
    Wijze van keuren
    Visuele controle. Onderdeel a: of een bedrijfsauto wordt gebruikt door een in artikel 29, eerste lid, of artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde dienst, wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
  6. 6.

    Indien een bedrijfsauto moet zijn voorzien van een controleapparaat:

    1. moet de bedrijfsauto zijn voorzien van een installatieplaatje en mag de op het installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal twee jaar vanaf de installatiedatum bedraagt;
    2. moet het onder a bedoelde installatieplaatje zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd;
    3. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het onder a bedoelde installatieplaatje is vermeld, en
    4. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening.
    Wijze van keuren
    Onderdeel a: de aanwezigheid van en de geldigheidsduur op het installatieplaatje van de tachograaf wordt visueel gecontroleerd.
    Onderdeel b: visuele controle van de verzegeling van het installatieplaatje van de tachograaf.
    Onderdeel c: bij twijfel meting van de bandenomtrek.
    Onderdeel d: visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen van de tachograaf.
    De wijze van gebruik van het voertuig en de onderdelen a tot en met d worden niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport indien er geen installatieplaatje in of op het voertuig aanwezig is.
    Toelichting

    Meten bandomtrek

    U meet de bandomtrek van een band die is gemonteerd op het wiel dat wordt aangedreven en voorzien is van de juiste bandenspanning. Uw meting mag niet meer dan 4% verschillen dan de bandomtrek die op het installatieplaatje staat vermeld. Op het installatieplaatje staat de bandomtrek in millimeters vermeld onder code ‘L’

    Hoe bepaalt u makkelijk de bandomtrek? Plaats een markering (krijtstreep) op de wang van de band en het contactpunt met de grond (waar de grond en de band elkaar raken). Beweeg het voertuig totdat de band 1 keer rondgedraaid heeft. U plaatst opnieuw een krijtstreep op de grond (waar de krijtstreep op de band de grond raakt). De afstand tussen de twee krijtstrepen op de grond is de wielomtrek. Bekijk ook de uitleg in de video.

    DocumentStroomschema controle tachograaf (pdf, 71kb)

    Installatieplaatje tachograaf

    15-2.3L-Installatieplaatje tachograaf