Geluid en milieu

Artikel 5.5.11

Actuele regelgeving

  1. 1.

    driewielige motorrijtuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes.
    Wijze van keuren
    Visuele en auditieve controle.
    Toelichting

    Uitlaatgas lekkage langs de verstuivers

    Bepaalde types Common Rail dieselmotoren lekken uitlaatgas langs de verstuivers. Dit is vaak te herkennen aan de aanslagafzetting rondom de verstuiver.
    Deze lekkage is geen lekkage van het uitlaatsysteem en is geen reden tot afkeur.

    10  23L3Z5  Uitlaatgas lekkage langs de  verstuivers


    Ontbreken laatste stuk uitlaat

    De uitlaat moet u beoordelen over de lengte zoals de fabrikant deze heeft vastgesteld. Bij een aanpassing van de uitlaat moet het zeker zijn dat de uitlaatgassen veilig worden afgevoerd. Ontbreekt het laatste stuk van de uitlaat? Dan keurt u het voertuig af.

    Onderdelen uitlaatsysteem

    Een EGR-klep maakt deel uit van het uitlaatsysteem. Hetzelfde geldt ook voor bijvoorbeeld een turbo.

    Vloeistof lekkage

    Hierbij worden de vloeistoffen bedoeld die niet in het milieu terecht mogen komen (gesloten systemen). Lekkage van bijvoorbeeld ruitenwisservloeistof of condens-vloeistof van airco’s vallen niet onder deze eis.
  2. 2.

    Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd.
    Wijze van keuren
    Visuele controle.
  3. 3.

     driewielige motorrijtuigen mogen in de nabijheid van de uitmondig van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in Aanvullende permanente eisen, artikelen 33 tot en met 35, van toepassing.

    Wijze van keuren

    auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden.

    Aanvullende permanente eisen
    Artikel 33
    1. Het geluidsniveau moet worden gemeten met gebruikmaking van een:
      1. geluidsniveaumeter;
      2. kalibratiegeluidsbron;
      3. toerenteller.
    2. De in het eerste lid vermelde apparatuur moet voldoen aan hetgeen voor het desbetreffende meetmiddel is bepaalde in hoofdstuk 8 van deze regeling.
    3. Bij het meten van het geluidsniveau worden de meetcondities, bedoeld in artikel 34, in acht genomen.
    Artikel 34

    1. De meting vindt plaats in de open lucht.
    2. Het proefterrein mag niet blootstaan aan sterke akoestische storingen. Hieraan wordt voldaan, indien het oppervlak van het terrein bestaat uit beton, asfalt, tegels of een vergelijkbaar hard materiaal.
    3. Het proefterrein moet minimaal de afmetingen van een rechthoek hebben, waarvan de zijden zich op ten minste 3,00 m afstand van de motorfiets of het driewielig motorrijtuig bevinden, met uitzondering van het stuur van de motorfiets of het driewielig motorrijtuig, zoals weergegeven in figuur 6. Binnen deze rechthoek mogen zich geen personen of voorwerpen bevinden die niet noodzakelijk zijn voor de meting. De motorfiets of het driewielig motorrijtuig wordt op zodanige wijze binnen de rechthoek geplaatst dat de microfoon zich op ten minste 1,00 m afstand van eventueel aanwezige trottoirbanden bevindt.
    4. De waarden die door de geluidsniveaumeter voor het omgevingsgeluid en de wind worden aangegeven, moeten ten minste 10 dB(A) lager zijn dan het geluidsniveau dat in het kentekenregister is vermeld. Dit wordt gecontroleerd door vaststelling van het achtergrondgeluidsniveau voor en na de meting. De microfoon van de geluidsniveaumeter mag van een passende windkap worden voorzien, mits rekening wordt gehouden met de invloed daarvan op de gevoeligheid van de microfoon.
    5. Voor aanvang van de meting moet de motor van de motorfiets of het driewielig motorrijtuig op bedrijfstemperatuur worden gebracht.
    6. De meting vindt plaats bij een stilstaande motorfiets of driewielig motorrijtuig.

    Figuur 6. Afmetingen proefterrein
    Figuur 6. Afmetingen proefterrein.

     

    Artikel 35

    De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:

    1. voor aanvang van de meting wordt de geluidsniveaumeter ingesteld op de tijdweging ‘F’ , voorheen aangeduid met ‘Fast’, en de frequentieweging ‘A’;
    2. de motor is op bedrijfstemperatuur, indien deze ongeveer vijftien minuten onder normale bedrijfsomstandigheden heeft gefunctioneerd;
    3. indien het niet mogelijk is de overbrenging te ontkoppelen, moet het aangedreven wiel vrij kunnen draaien;
    4. aan het begin en einde van iedere serie metingen moet de geluidsniveaumeter gekalibreerd worden volgens de aanwijzingen van de fabrikant met behulp van een kalibratiegeluidsbron;
    5. de afwijking tussen het geluidsdrukniveau van de calibratiegeluidsbron en de aanwijzing van de geluidsniveaumeter mag niet groter zijn dan 1 dB(A). Indien deze waarde bij de aanvangscontrole wordt overschreden, moet de geluidsniveaumeter zodanig gejusteerd worden dat wel aan deze eis wordt voldaan. Als aan het einde van de serie metingen wordt geconstateerd dat deze afwijking groter is dan 1 dB(A), is de serie metingen ongeldig;
    6. de microfoon van de geluidsniveaumeter moet in de volgende positie worden geplaatst, zoals weergegeven in figuur 7:
      1. ter hoogte van de uitlaatmonding, in ieder geval ten minste 0,20 m boven het wegdek;
      2. het membraan van de microfoon is naar de uitlaatmonding gericht en bevindt zich op een afstand van 0,50 m, waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan;
      3. de hoofdgevoeligheidsas van de microfoon loopt evenwijdig aan het wegdek en vormt een hoek van niet minder dan 35° en niet meer dan 55° met het loodrechte vlak waarin de emissierichting van de uitlaatgassen ligt; de microfoon is zo geplaatst dat de afstand tussen de microfoon en de motorfiets of het driewielig motorrijtuig het grootst is;
      4. indien het uitlaatsysteem meerdere uitmondingen heeft, aangesloten op eenzelfde geluiddemper waarvan de middelpunten niet meer dan 0,30 m van elkaar zijn verwijderd, is de microfoon gericht op de uitmonding die zich het dichtst bij de omtrek van de motorfiets of het driewielig motorrijtuig of zich het hoogst boven het wegdek bevindt. Indien de middelpunten van de uitmondingen meer dan 0,30 m van elkaar zijn verwijderd, wordt bij iedere uitmonding een afzonderlijke meting verricht, waarbij alleen de hoogst gemeten waarde wordt aangehouden;
    7. het toerental van de motor wordt op de waarde gebracht die in het kentekenregister voor de betreffende motorfiets of het betreffende driewielige motorrijtuig is vermeld, indien in het kentekenregister een dB(A)-waarde en een toerental zijn vermeld;
      Indien bij een motorfiets in het kentekenregister geen dB(A)-waarde, maar wel het toerental waarbij het maximumvermogen van de betreffende motorfiets wordt bereikt (toerental n), is vermeld, dan wordt de dB(A)-waarde vastgesteld volgens tabel 1 en het toerental op:
      1. 3/4 n, indien toerental n lager is dan of gelijk is aan 5000 min-1; en
      2. 1/2 n, indien toerental n hoger is dan 5000 min-1
        In de overige gevallen wordt de dB(A)-waarde vastgesteld volgens tabel 1 en het toerental vastgesteld volgens onderstaande tabel:
        Bouwjaar vóór 1960
        - 2-takt: 2.250 min -1
        - 4-takt: 2.000 min-1
        Bouwjaar vanaf 1960
        - 2-takt: 4.500 min -1
        - 4-takt: 4.000 min-1
    8. na het bereiken van de waarde, bedoeld in onderdeel g, wordt de gashandel snel losgelaten. De tijdsduur van de meting van het geluidsniveau omvat de periode, waarin het toerental constant wordt gehouden, en de gehele duur van de vermindering van het toerental tot het stationaire toerental weer is bereikt.
    9. er wordt per meetpunt ten minste een serie van drie metingen verricht, waarbij:
      1. de hoogste waarde die de geluidsniveaumeter heeft aangegeven, als meetwaarde per meting geldt;
      2. de meetwaarde per meting op de meest nabijgelegen hele decibel wordt afgerond;
      3. alleen meetwaarden die bij drie opeenvolgende metingen worden verkregen en onderling niet meer dan 2 dB(A) verschillen, mogen worden aangehouden;
      4. als meetresultaat de hoogste van deze drie meetwaarden geldt.

    10. Figuur 7. Plaatsing microfoon
      Figuur 7. Plaatsing microfoon. Tabel 1. Maximum geluidswaarde motorfiets
      Tabel 1. Maximum geluidswaarde motorfiets
  4. 4.

    Driewielige motorrijtuigen  met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een driewielig motorijtuig met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een driewielig motorrijtuig met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in Aanvullende permanente eisen, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing.