Onderdelen en werking reminrichting

Artikel 5.5.31

Actuele regelgeving

  1. 1.

      Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de:

    1. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in Aanvullende permanente eisen, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing;
    2. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in Aanvullende permanente eisen, artikelen 53 en 54, van toepassing;
    3. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
    4. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en
    5. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat.
    Wijze van keuren
    • Onderdelen a tot en met c: visuele controle.
    • Onderdeel d: visuele controle. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van de reminrichting wordt het remsysteem onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor.
    • Onderdeel e: visuele controle.
    Aanvullende permanente eisen
    Hoofdstuk 1, titel 2, afdeling 1, 2, 3

    Hoofdstuk 1 Voertuigeisen

    Titel 2. Algemene bouwwijze van het voertuig

    Afdeling 1. Voertuigen zonder een volledig dragend chassis

    Artikel 4

    1. In deze afdeling wordt verstaan onder:
      roestschade: door corrosie over de gehele dikte verdwenen materiaal.
    2. Roestschade wordt per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat uitgedrukt in de schade-eenheid 'E'.

    Artikel 5

    De in Documentannex 1  (pdf, 254kb)vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.

    Artikel 6

    Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden 'E', moet de volgende procedure worden gevolgd:

    1. de roestschade-omvang wordt per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat in procenten bepaald volgens het van toepassing zijnde beoordelingsprincipe zoals vermeld in deze afdeling;
    2. aan de hand van Documentannex 1  (pdf, 254kb)  wordt de te hanteren roestschadegradatie bij maximaal functieverlies van het beschadigde onderdeel, de beschadigde bevestiging van een onderdeel dan wel de beschadigde sectie van de bodemplaat bepaald;
    3. het onder a bepaalde percentage roestschade wordt vermenigvuldigd met de onder b bepaalde roestschadegradatie.

    Artikel 7

    1. De bepaling van de roestschade-omvang van langs- en dwarsliggers geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
      1. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde deel van de omtrek en de gehele omtrek van de dwarsdoorsnede, een eventuele versterking in de langs- of dwarsligger daarbij inbegrepen. Bij de berekening van de omtrek van de dwarsdoorsnede worden de bevestigingsflenzen niet meegerekend, en
      2. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen de lengte van de schade en de werkelijke lengte van de langs- of dwarsligger tussen de draagpunten, zoals weergegeven in figuur 1, of zoals bij het betreffende onderdeel in Documentannex 1 (pdf, 254kb) is omschreven. Voor de bepaling van de roestschade worden de bevestigingsflenzen meegerekend.
    2. Indien een plaatdeel samen met een voorgevormd profiel een koker vormt, wordt het geheel beoordeeld als een langs- of dwarsligger.

    Figuur 1. Lengte langs- en dwarsliggers tussen de draagpunten
    Figuur 1. Lengte langs- en dwarsliggers tussen de draagpunten.

    Artikel 8

    1. Voor de bepaling van de roestschade-omvang van de bodemplaat van de personenruimte wordt de bodemplaat in secties verdeeld, zoals weergegeven in figuur 2, waarna elke sectie afzonderlijk wordt beoordeeld.
    2. De secties worden gevormd door de volgende sectielijnen:
      Sectielijn 1: de middenkoker of de lengtehartlijn.
      Sectielijn 2: het begin van de vlakke bodemplaat.
      Sectielijn 3: de dwarsligger ter plaatse van de voorzijde van de voorste zitplaatsen of indien ter plaatse geen dwarsligger aanwezig is de voorzijde van de voorste zitplaatsen in de achterste gebruiksstand.
      Sectielijn 4: elke voorzijde van de achter de voorste zitplaatsen (achter elkaar) gelegen zitplaatsen in de achterste gebruiksstand.
      Sectielijn 5: het einde van de bodemplaat onder de personenruimte.
    Figuur 2. Sectieverdeling bodemplaat personenruimte

    Figuur 2. Sectieverdeling bodemplaat personenruimte

    Artikel 9

    1. De bepaling van de roestschade-omvang van de bodemplaat van de personenruimte geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
      1. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde oppervlak van de sectie en het gehele oppervlak van de sectie, en
      2. de verhouding tussen de lengte van de schade aan de randen van de sectie en de totale randlengte van de sectie.
    2. Roestschade die doorloopt in verschillende secties moet worden beoordeeld als schade die aanwezig is in de grootste van de betrokken secties.
    3. Bij dubbele bodemplaten wordt de bovenste plaat beoordeeld zoals is aangegeven in het eerste lid; de onderste plaat wordt beoordeeld als één grote sectie.
    4. Indien een gedeelte van de bodemplaat tevens deel uitmaakt van een langs- of dwarsligger (koker), moet dit gedeelte worden meegerekend voor de bepaling van het oppervlak dan wel de randlengte.

    Artikel 10

    De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:

    1. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde oppervlak en het gehele oppervlak, en
    2. de verhouding tussen de totale lengte van de schade aan de randen en de totale randlengte, en
    3. de verhouding tussen de lengte van de schade per zijde van de wielkast en de bevestigingslengte van die zijde aan een ander onderdeel.

    Artikel 11

    1. De bepaling van de roestschade-omvang van plaatdelen, met uitzondering van de bodemplaat en de wielkasten, geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
      1. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde oppervlak en het gehele oppervlak, en
      2. de verhouding tussen de lengte van de schade aan de randen en de totale randlengte.
    2. Indien een gedeelte van een plaatdeel tevens deel uitmaakt van een langs- of dwarsligger (koker), moet dit gedeelte worden meegerekend voor de bepaling van het oppervlak dan wel de randlengte.

    Artikel 12

    1. De roestschade-omvang van de bevestiging van onderdelen, met uitzondering van de bevestiging van plaatdelen en wielkasten, wordt bepaald door een schatting te maken omtrent de afname in procenten van de sterkte van de bevestiging van het ene onderdeel aan het andere, in het gebied dat wordt omsloten door een denkbeeldige lijn gelegen op een afstand van 100 mm rondom de bevestiging.
    2. De roestschade in het gebied buiten de denkbeeldige lijn wordt buiten beschouwing gelaten.

    Artikel 13

    De beoordeling van roestschade vindt plaats:

    1. door visuele controle, terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, en
    2. in geval van twijfel: 
      1. door gebruik te maken van een hamertje met een bolle of afgeronde kop;
      2. door middel van meten met een meetmiddel van voldoende bereik.

    Afdeling 2. Voertuigen met een volledig dragend chassis

    § 1. Chassisraam

    Artikel 14

    1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
      roestschade: gedeeltelijk door corrosie verdwenen materiaal.
    2. Roestschade in het chassisraam wordt per langs- of dwarsligger dan wel per profiel uitgedrukt in procenten.

    Artikel 15

    1. De langs- en dwarsliggers en asbevestigingen van het chassisraam, de trekinrichting van een middenasaanhangwagen, en alle profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikrans of opleggerkoppeling dan wel koppelingsplaat mogen niet meer roestschade hebben dan het percentage genoemd in Documentannex 2 (pdf, 166kb) bij deze bijlage.
    2. De beoordeling van de roestschade-omvang van de langs- en dwarsliggers van het chassisraam geschiedt aan de hand van de lengte van de langs- en dwarsliggers tussen de draagpunten.
    3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, moeten langs- en dwarsliggers van het chassisraam die uitsluitend voor de ondersteuning van de laadvloer zijn aangebracht, als hulplangs- of hulpdwarsbalk worden aangemerkt waarop paragraaf 2 van deze afdeling van toepassing is.
    4. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, is op langs- en dwarsliggers en asbevestigingen van het chassisraam die zijn vervaardigd uit plaatmateriaal waarvan de dikte maximaal 2 mm bedraagt, paragraaf 2 van deze afdeling van toepassing.
    5. Op een gedeeltelijk zelfdragende carrosserie in combinatie met een chassisraam zijn voor het zelfdragende deel de eisen van afdeling 1 van toepassing.

    § 2. Overige onderdelen

    Artikel 16

    1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
      roestschade: door corrosie over de gehele dikte verdwenen materiaal.
    2. Roestschade wordt per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel uitgedrukt in de schade-eenheid 'E'.

    Artikel 17

    De in Documentannex 3 (pdf, 273kb) vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.

    Artikel 18

    Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden 'E', moet de volgende procedure worden gevolgd:

    1. de roestschade-omvang wordt per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel in procenten bepaald volgens het van toepassing zijnde beoordelingsprincipe;
    2. aan de hand van Documentannex 3 (pdf, 273kb) wordt de te hanteren roestschadegradatie bij maximaal functieverlies van het beschadigde onderdeel of de beschadigde bevestiging van een onderdeel bepaald;
    3. het percentage roestschade, bedoeld in onderdeel a, wordt vermenigvuldigd met de in roestschadegradatie, bedoeld in onderdeel b.

    Artikel 19

    1. De bepaling van de roestschade-omvang van langs- en dwarsliggers geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is: 

      1. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde deel van de omtrek en de gehele omtrek van de dwarsdoorsnede, een eventuele versterking in de langs- of dwarsligger daarbij inbegrepen. Bij de berekening van de omtrek van de dwarsdoorsnede worden de bevestigingsflenzen niet meegerekend, en
      2. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen de lengte van de schade en de werkelijke lengte van de langs- of dwarsligger tussen de draagpunten, zoals weergegeven in figuur 3, of zoals bij het betreffende onderdeel in Documentannex 3 (pdf, 273kb)  is omschreven. Voor de bepaling van de roestschade worden de bevestigingsflenzen meegerekend.  
    2. Indien een plaatdeel samen met een voorgevormd profiel een koker vormt, wordt het geheel beoordeeld als een langs- of dwarsligger.

      Figuur 3. Lengte dwars- of langsligger tussen de draagpunten
    3. Figuur 3. Lengte dwars- of langsligger tussen de draagpunten.

    Artikel 20

    1. De bepaling van de roestschade-omvang van plaatdelen geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:

      1. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde oppervlak en het gehele oppervlak, en
      2. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen de lengte van de schade aan de randen en de totale randlengte.
    2. Indien een gedeelte van een plaatdeel tevens deel uitmaakt van een langs- of dwarsligger (koker), moet dit gedeelte worden meegerekend voor de bepaling van het oppervlak dan wel de randlengte.

    Artikel 21

    1. De roestschade-omvang van de bevestiging van onderdelen, met uitzondering van de bevestiging van plaatdelen, wordt bepaald door een schatting te maken omtrent de afname in procenten van de sterkte van de bevestiging van het ene onderdeel aan het andere in het gebied dat wordt omsloten door een denkbeeldige lijn, gelegen op een afstand van 100 mm rondom de bevestiging.
    2. De roestschade in het gebied buiten de denkbeeldige lijn wordt buiten beschouwing gelaten.

    Artikel 22

    De beoordeling van roestschade vindt plaats:

    1. door visuele controle, terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, en
    2. in geval van twijfel: 
      1. door gebruik te maken van een hamertje met een bolle of afgeronde kop;
      2. door middel van meten met een meetmiddel van voldoende bereik.

    Afdeling 3. Roestschadereparatie

    Artikel 23

    Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.

    Artikel 24

    1. Voor alle onderdelen, bevestigingen van onderdelen of secties van de bodemplaat waarvoor een roestschadegradatie is gegeven, geldt dat:
      1. reparaties met pasklare gedeelten, waarbij elk deel deugdelijk aan het oorspronkelijke materiaal is gelast, toegestaan zijn;
      2. vervanging van delen is toegestaan mits deugdelijk gelast dan wel bevestigd met bouten, indien de oorspronkelijke bevestiging heeft plaatsgevonden door middel van bouten of klinknagels;
      3. een reparatie die niet volgens onderdeel a of b is uitgevoerd, als roestschade wordt aangemerkt en beoordeeld, waarbij de grootte van de reparatie wordt gezien als de grootte van de roestschade, tenzij anders wordt aangetoond.
    2. Onder deugdelijk gelast als genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt verstaan:
      1. kettinglassen welke ten minste 50% van de omtrek van het te lassen gedeelte bestrijken en goed zijn verdeeld over die omtrek, of
      2. proplassen (gatlassen) met ten minste een diameter van 4 mm en een onderlinge afstand van niet meer dan 20 mm.

    Artikel 25

    1. De trekinrichting van een middenasaanhangwagen, langs- en dwarsliggers en asbevestigingen die deel uitmaken van het chassisraam, bedoeld in paragraaf 1 van afdeling 2, mogen niet zijn gerepareerd met plaatdelen welke over de roestschade zijn aangebracht.
    2. In afwijking van het eerste lid mogen de trekinrichting van een middenasaanhangwagen en een aanhangwagen met een stijve dissel, langs- en dwarsliggers en asbevestigingen wel gerepareerd worden met plaatdelen welke over de roestschade zijn aangebracht, indien de dikte van deze plaatdelen ten minste gelijk is aan de grootste dikte van het te repareren deel. De plaatdelen moeten deugdelijk zijn gelast. Hieronder worden verstaan kettinglassen welke ten minste 75% van de omtrek van het te lassen gedeelte bestrijken. De lassen moeten goed zijn verdeeld over de omtrek.
    3. De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikrans of opleggerkoppeling dan wel koppelingsplaat mogen niet zijn gerepareerd met plaatdelen welke over de roestschade zijn aangebracht.

    Artikel 26

    Een afwijkende reparatie, zoals bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.

    Artikel 27

    De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:

    1. door visuele controle, terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, en
    2. in geval van twijfel door middel van meten met een meetmiddel van voldoende bereik.

    DocumentRekenvoorbeelden roestschade. (pdf, 437kb) 

    Artikel 53

    Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.

    Figuur 17. Remleiding

    Figuur 17. Remleiding

    Artikel 54 Remschijf

    1. Een remschijf mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat per kant de breedte van het effectieve gedeelte, over de gehele omtrek van de remschijf, minder bedraagt dan 50% van de maximumbreedte van het remblok.
    2. Onder het effectieve gedeelte, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan: een nagenoeg glad oppervlak, zonder blijvende corrosievorming ("glimmend" gedeelte).
    Toelichting

    Beschadiging vacuümslang rembekrachtiger

    De vacuümslang van een rembekrachtiger mag scheuren vertonen zolang de juiste werking van de rembekrachtiger niet beïnvloed wordt. Een beschadigde vacuümslang van een rembekrachtiger mag met tape gerepareerd zijn.

    Beoordelen handremkabel

    Is de binnenkabel beschadigd of gebroken? Dan is dit een afkeurpunt. Ook als er maar 1 draad is gebroken. Beschadiging, scheurvorming of breuk van de buitenkabel is ook een afkeurpunt. Is de beschermlaag om de buitenkabel beschadigd, gescheurd of gebroken, dan is dit geen afkeurpunt. Is er tape, kit of iets vergelijkbaars aangebracht, dan moet u (de keurmeester) beoordelen of het bewerkte onderdeel een onderdeel is van de handremkabel of alleen een beschermende functie heeft. Om dit goed te kunnen beoordelen moet u de tape , kit of dergelijk materiaal verwijderen om de buitenkabel goed te kunnen bekijken. Een handremkabel mag op een deugdelijke wijze zijn gerepareerd.

    Haarscheuren remschijven

    Heeft een remschijf haarscheuren aan het oppervlakte die zijn veroorzaakt door warmteontwikkeling? Dan is dit geen afkeurpunt.

    31 - 2,3L,3Z,5,12 - Haarscheuren remschijven
    Foto:
    Remschijf met haarscheuren

    Slijtage remschijf

    U moet een voertuig afkeuren als de remschrijf zo versleten is, dat de kans op breuk onvermijdelijk is. In geval van twijfel, vermeldt u het als adviespunt (AC5) .

    Controle wartel remslang

    Bij bepaalde typen voertuigen zit er een rubberen huls over de persverbinding van de remslang aan de wartel. Deze huls is niet altijd makkelijk met de hand te verschuiven. De persverbinding kan na een tijd gaan roesten. Als u de rubberen huls niet naar beneden kan schuiven, moet u deze aan de bovenkant met behulp van gereedschap, bijvoorbeeld een schroevendraaier opentrekken. Is de aansluiting ernstig verroest dan moet u het voertuig hierop afkeuren.  

    31 -2.3L.3Z.5.12 - Wartel remslang 2 31 -2.3L.3Z.5.12 - Wartel remslang 1 31 -2.3L.3Z.5.12 - Wartel remslang 3
    Foto:
    Remslangen

    Beoordelen remslang

    De delen van de remslang (omcirkelt op de foto’s) moet u beoordelen volgens artikel 5.*.31 lid 1b: ‘de onderdelen van de reminrichting mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast". Artikel 53 van de Aanvullende permanente eisen (putcorrosie) is hierop dus niet van toepassing.

    31-2.3L.3Z.5- Beoordelen remslang 31-2.3L.3Z.5- Beoordelen remslang2
    Foto:
    Delen van een remslang

  2. 2.

    De rembekrachtiger en de remkrachtregelaar moeten goed functioneren.
    Wijze van keuren
    Voor de controle van de vacuüm rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken.
    Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld met draaiende motor. Hierbij wordt de as eventueel ontlast.
  3. 3.

    Het rempedaal onderscheidenlijk de remhendel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt.
    Wijze van keuren
    Controle door het rempedaal in te trappen Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt.
  4. 4.

    Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn.
    Wijze van keuren
    Visuele controle.
  5. 5.

    Remslangen mogen:

    1. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in Aanvullende permanente eisen, artikelen
      55 en 56 van toepassing;
    2. niet langs andere voertuigdelen schuren, en
    3. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
    Wijze van keuren
    • Onderdeel a: visuele controle.
    • Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht.
    • Onderdeel c: visuele controle.
    Aanvullende permanente eisen
    Artikel 55 Remslang

    Remslangen mogen:

    1. geen scherpe knikken of sterke tordering vertonen, en
    2. in hydraulische remsystemen geen door de druk veroorzaakte vervormingen vertonen die opzwellen ten gevolge van het bedienen van het remsysteem met een pedaalkracht van 700 N gedurende ongeveer 30 seconden.

    Artikel 56 Wijze van keuren

    1. De in deze afdeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle, terwijl het voertuig, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen, zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
    2. Bij de controle van artikel 55, onderdeel b, moet het rempedaal worden ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht moet gedurende ongeveer 30 seconden worden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, moet de controle worden uitgevoerd met draaiende motor. Indien een remhandel aanwezig is, moet de controle worden uitgevoerd met de maximale handkracht.

    Toelichting

    Droogtescheuren remslang

    Vertoont een remslang droogtescheuren waarbij (nog) geen canvas zichtbaar is, dan vermeldt u dit niet als adviespunt op het keuringsrapport. Het is namelijk niet duidelijk of op (korte) termijn de remslang hierop afgekeurd moet worden.
  6. 6.

    Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn.
    Wijze van keuren
    Visuele controle, waarbij de rem wordt bediend.
  7. 7.

    Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen.
    Wijze van keuren
    Visuele controle, waarbij de wielen vrij van de grond met de hand worden rondgedraaid.
  8. 8.

    De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering.
    Wijze van keuren
    Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn.
  9. 9.

    De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
    Wijze van keuren
    Visuele controle.
  10. 10.

    Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd.
    Wijze van keuren
    Visuele controle. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit zonder demontage mogelijk is.
  11. 11.

    De onderdelen van een antiblokkeersysteem:

    1. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
    2. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
    3. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en
    4. mogen geen lekkage vertonen.
    Wijze van keuren
    Visuele controle.
    Toelichting

    Aanwezigheid antiblokkeersysteem driewielige motorrijtuigen

    Is er een ABS-modulator aanwezig? Dan moet voldaan worden aan artikel 5.5.31 lid 11.

  12. 12.

    De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven.
    Wijze van keuren
    visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd
  13. 13.

    De waarschuwingsinrichting van het elektronisch remsysteem van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven.
    Wijze van keuren
    visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.