Snelheidsmeter, controleapparaat

Artikel 5.2.15

Actuele regelgeving

  1. 1.

    Personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is.
    Wijze van keuren
    Visuele controle. De werking en afleesbaarheid wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
  2. 2.

    Indien een personenauto moet zijn voorzien van een controleapparaat:

    1. moet de personenauto zijn voorzien van een installatieplaatje en mag de op het installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal twee jaar vanaf de installatiedatum bedraagt;
    2. moet het onder a bedoelde installatieplaatje zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd;
    3. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het onder a bedoelde installatieplaatje is vermeld, en
    4. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening.
    Wijze van keuren
    Onderdeel a: de aanwezigheid van en de geldigheidsduur op het installatieplaatje van de tachograaf wordt visueel gecontroleerd.
    Onderdeel b: visuele controle van de verzegeling van het installatieplaatje van de tachograaf.
    Onderdeel c: bij twijfel meting van de bandenomtrek.
    Onderdeel d: visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen van de tachograaf.
    De wijze van gebruik van het voertuig en de onderdelen a tot en met d worden niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, indien er geen installatieplaatje in of op het voertuig aanwezig is.
    Toelichting

    Meten bandomtrek

    De bandomtrek wordt gemeten van een band die is gemonteerd op het wiel dat wordt aangedreven en voorzien van de juiste bandenspanning. De afwijking mag niet groter zijn dan 4% van de waarde die op het installatieplaatje is vermeld. De bandomtrek wordt aangegeven in millimeters en staat aangeduid op het installatieplaatje met een ‘L’.
    Een eenvoudige mogelijkheid om de bandomtrek te bepalen: Plaats een markering (krijtstreep) op de wang van de band en het contactpunt met de grond, waar de grond en de band elkaar raken. Beweeg het voertuig totdat de band 1 omwenteling heeft gemaakt. U plaatst opnieuw een krijtstreep op de grond, waar de krijtstreep op de band de grond raakt. De afstand tussen beide krijtstrepen op de grond is de wielomtrek. Bekijk ook de uitleg in de video.

    DocumentStroomschema controle tachograaf

    Installatieplaatje tachograaf

    15-2.3L-Installatieplaatje tachograaf