CNG-installatie

Artikel 5.2.10a

Actuele regelgeving

  1. 1.

    Indien de personenauto is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd artikel 5.2.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
  2. 2.

    De CNG-tank:

    1. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en
    2. mag geen deuken vertonen.
    Wijze van keuren
    Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
  3. 3.

    De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.
    Wijze van keuren
    Visuele controle.
  4. 4.

    De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG-tank, mag niet verstreken zijn.
    Wijze van keuren
    Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
  5. 5.

    Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de personenruimte of laadruimte.
    Wijze van keuren
    Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
  6. 6.

    Indien het voertuig in gebruik genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een goed werkende automatische tankafsluiter.
    Wijze van keuren
    Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het contact ingeschakeld en wordt gecontroleerd of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens wordt de motor gestart waarna de handrem wordt aangetrokken en de hoogste versnelling wordt ingeschakeld. Met behulp van de koppeling de motor laten afslaan waarna de bekrachtiging moet wegvallen. Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op CNG wordt gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd; daarna wordt met het contact uitgeschakeld gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen.
    Toelichting

    CNG tankafsluiter controleren

    De tankafsluiter moet gecontroleerd worden tijdens de keuring.
    Daar waar de controle eenvoudig mogelijk is, door demontage van een enkel onderdeel, moet deze worden uitgevoerd volgens de regelgeving.
    Als er voor de controle essentiƫle onderdelen, zoals uitlaat en gordelbevestiging gedemonteerd moeten worden, blijft deze controle achterwege en wordt OP1 aangegeven bij het afmelden.

  7. 7.

    De onderdelen van de CNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
    Wijze van keuren
    Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
  8. 8.

    De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
    Wijze van keuren
    Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
  9. 9.

    De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
    Wijze van keuren
    Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
  10. 10.

    De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water.
    Wijze van keuren
    Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.