Begrippen

Actuele regelgeving

  1. Artikel 1.1 begrippen Keuringseisen algemeen

    In deze regeling wordt verstaan onder:

    aanhangwagen:

    voertuig dat is bestemd om aan een motorvoertuig te worden gekoppeld, met inbegrip van een oplegger; in ieder geval wordt als aanhangwagen aangemerkt een voertuig van de voertuigcategorie O, of R, en een voertuig dat blijkens het kentekenregister een aanhangwagen is;

    aanhangwagen met een stijve dissel:

    aanhangwagen met één as of één groep assen waarvan de dissel door de constructie ervan een statische belasting van ten hoogste 4000 kg op het trekkende voertuig overbrengt, die niet voldoet aan de begripsbepaling van middenasaanhangwagen beantwoordt en waarvan de koppeling die voor de voertuigcombinatie wordt gebruikt niet bestaat uit een koppelingspen en koppelingsschotel; in ieder geval wordt als aanhangwagen met een stijve dissel aangemerkt een aanhangwagen met carrosserietype DE;

    achterlicht:

    licht dat, van de achterzijde gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt en een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig;

    achteruitrijlicht:

    licht dat is bestemd voor het verlichten van de weg achter het voertuig en voor het waarschuwen van de overige weggebruikers dat het voertuig achteruit rijdt of achteruit gaat rijden;

    afneembare bovenbouw:

    zonder gebruik van gereedschap van een voertuig afneembare constructie met een vloeroppervlak van ten minste 5 m2, ingericht voor het vervoer van goederen of ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van personen of goederen, niet zijnde een gestandaardiseerd laadstructuur;

    afsleepas:

    hulpmiddel bedoeld om één van de assen van een motorvoertuig te dragen;

    akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem:

    systeem dat door middel van een geluidssignaal verkeersdeelnemers attendeert op de nadering van een hybride elektrisch voertuig of elektrisch aangedreven voertuig;

    ambulance:

    voertuig dat hoofdzakelijk bestemd is voor het vervoer van zieken of gewonden en hiertoe een speciale uitrusting heeft; in ieder geval wordt als ambulance aangemerkt een voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M met subcategorie SC en een voertuig dat blijkens het kentekenregister een ambulance is;

    as:

    gemeenschappelijke draaiingsas van twee of meer wielen, die door een motor wordt aangedreven dan wel vrij draait en die uit een dan wel meer segmenten bestaat die in hetzelfde vlak loodrecht op de middellijn in lengterichting van het voertuig liggen;

    asfaltwagen:

    bedrijfsauto of aanhangwagen die ontworpen en gebouwd is voor het vervoer van asfalt en hiertoe een speciale uitrusting heeft;

    ashefinrichting:

    op een voertuig vast aangebrachte inrichting om de belasting op de as of assen naar gelang van de beladingstoestand van het voertuig te verlagen of te verhogen door het optrekken van de wielen van de bodem of het neerlaten van de wielen op de bodem, dan wel zonder het optrekken van de wielen van de bodem, teneinde de slijtage van de banden te verminderen wanneer het voertuig niet volledig beladen is, en/of het wegrijden van motorvoertuigen of voertuig-combinaties op een gladde bodem te vergemakkelijken door de belasting op de aangedreven as te vergroten;

    asstel:

    combinatie van twee of meer assen, evenwijdig gelegen op een onderlinge afstand van minder dan 1,80 m;

    autonome aanhangwagen:

    aanhangwagen met carrosserietype DB met ten minste twee assen, waarvan ten minste één as gestuurd is, die is uitgerust met een verticaal beweegbare trekinrichting, en een statische verticale belasting van minder dan 100 kg op het trekkende voertuig overbrengt;

    BABW:

    Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;

    bedrijfsauto:

    voertuig op vier of meer wielen, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid of een gehandicaptenvoertuig, en ingericht voor:
    a. het vervoer van goederen, of
    b. het uitvoeren van andere werkzaamheden;
    in ieder geval wordt als bedrijfsauto aangemerkt een voertuig van de voertuigcategorie N en een voertuig dat dat blijkens het kentekenregister een bedrijfsauto is;

    bestuurde as:

    as die rechtstreeks door middel van de stuurinrichting door de bestuurder kan worden bediend;

    bestuurd asstel:

    asstel dat rechtstreeks door middel van de stuurinrichting door de bestuurder kan worden bediend;

    bochtverlichting:

    verlichtingsfunctie voor betere verlichting in bochten;

    bus:

    voertuig ingericht voor het vervoer van personen, met meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid of een gehandicaptenvoertuig; als bus wordt in ieder geval aangemerkt een voertuig van de voertuigcategorie M met de voertuigclassificatie M2 of M3 en een voertuig dat blijkens het kentekenregister een bus is;

    CNG-installatie:

    installatie. bestaande uit een geheel van gemonteerde onderdelen dat het mogelijk maakt om als brandstof voor de voortstuwingsmotor gebruik te maken van Compressed Natural Gas (CNG);

    contourmarkering:

    opvallende markering die dient om de horizontale en verticale dimensie (lengte, breedte en hoogte) van een voertuig aan te geven;

    dagrijlicht:

    licht dat voorwaarts gericht is en wordt gebruikt om het voertuig tijdens het overdag rijden beter zichtbaar te maken;

    dimlicht:

    licht waarmee de weg vóór het voertuig wordt verlicht zonder dat hierdoor andere weggebruikers worden verblind of gehinderd;

    dolly:

    aanhangwagen met carrosserietype DB, DC of subcategorie SJ bestemd voor:

    1. het koppelen van een oplegger aan een trekkend voertuig waarbij de dolly de voorzijde van een oplegger draagt;
    2. het dragen van de achterzijde van in de lengte ondeelbare lading, indien deze lading het chassis van het voertuig vervangt, of
    3. het dragen van één van de assen van een motorvoertuig: de afsleepdolly

    Onder dolly wordt tevens verstaan een aanhangwagen van het carrosserietype DA, DB, DC of subcategorie SJ bestemd voor het koppelen van een ontheffingsplichtige oplegger aan een trekkend voertuig, waarbij de dolly de massa van de lading verdeelt over de achteras dan wel -assen van het trekkend voertuig en de as of assen van de dolly; in ieder geval wordt als dolly aangemerkt een voertuig dat blijkens het kentekenregister een dolly isnder dolly wordt tevens verstaan een aanhangwagen van het carrosserietype DA, DB, DC of subcategorie SJ bestemd voor het koppelen van een ontheffingsplichtige oplegger aan een trekkend voertuig, waarbij de dolly de massa van de lading verdeelt over de achteras(sen) van het trekkend voertuig en de as(sen) van de dolly; in ieder geval wordt als dolly aangemerkt een voertuig dat blijkens het kentekenregister een dolly is;

    driewielig motorrijtuig:

    voertuig van de voertuigcategorie L met de voertuigclassificatie L5e of L7e, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig met beperkte snelheid; in ieder geval wordt als driewielig motorrijtuig aangemerkt een voertuig dat blijkens het kentekenregister een driewielig motorrijtuig is;

    elektrisch aangedreven voertuig:

    een motorvoertuig, uitsluitend aangedreven door een elektromotor waarvan de tractie-energie wordt geleverd door een in het motorvoertuig geïnstalleerde tractiebatterij;

    elektrische aandrijflijn:

    het elektrische circuit, bestaande uit:

    1. de tractiebatterij;
    2. de elektronische omzetters;
    3. de tractiemotoren;
    4. het laadcircuit;
    5. de kabelset en de connectoren; en
    6. de elektronische hulpapparatuur

    frontbeschermingsinrichting:

    een afzonderlijke constructie die bedoeld is om het buitenoppervlak boven of onder de tot de originele uitrusting van het voertuig behorende bumper bij een botsing met een object te beschermen, met dien verstande dat hieronder niet worden begrepen constructies met een massa van minder dan 0,5 kg die uitsluitend bedoeld zijn ter bescherming van de lichten;

    geconditioneerd voertuig:

    voertuig waarvan de vaste bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur speciaal is ingericht voor het vervoer van goederen bij een gecontroleerde temperatuur en waarvan de zijwanden, met inbegrip van de isolatie, ten minste 45 mm dik zijn;

    gedeeltelijke contourmarkering:

    contourmarkering die de horizontale dimensie (lengte) van een voertuig aangeeft door middel van een doorlopende lijn en de verticale dimensie (hoogte) van het voertuig door middel van een markering van de bovenhoeken;

    gestandaardiseerde laadstructuur:

    zonder gebruik van gereedschap van een voertuig afneembare laadbak als bedoeld in ISO 668: 1995 die uitsluitend is ingericht voor het vervoer van goederen, niet zijnde een lastdrager of een tot het voertuig behorende uitrusting;

    gestuurde as:

    as die wordt gestuurd door stuurkrachten, veroorzaakt door richtingverandering vanuit het voertuig zelf of vanuit het trekkend voertuig;

    gestuurd asstel:

    asstel dat wordt gestuurd door stuurkrachten, veroorzaakt door richtingverandering vanuit het voertuig zelf of vanuit het trekkend voertuig;

    gordel:

    een geheel van banden met sluiting, verstelinrichtingen en bevestigingselementen dat in een motorvoertuig kan worden bevestigd en zodanig is ontworpen dat de kans op verwondingen voor de gebruiker bij botsing of plotselinge vertraging van het voertuig wordt verminderd doordat het de bewegingsmogelijkheid van het lichaam van de gebruiker beperkt en dat mede omvat alle onderdelen die energie kunnen opnemen of waarmee de gordel wordt ingetrokken;

    gordelbevestigingspunten:

    de delen van de voertuigcarrosserie of van de zitplaatsconstructie of andere delen van het voertuig waaraan gordels moeten worden vastgemaakt;

    groot licht:

    licht dat de weg vóór het voertuig over een grote afstand verlicht;

    hefbare as:

    een as die door de ashefinrichting kan worden opgetrokken en neergelaten;

    hoeklicht:

    licht dat wordt gebruikt voor aanvullende verlichting van het deel van de weg dat zich bij de voorhoek van het voertuig bevindt, aan de kant waarnaar het voertuig gaat draaien;

    hoofdgroeven:

    brede groeven in het middelste gedeelte van het loopvlak van een band, welk gedeelte ongeveer 75% van de breedte van het loopvlak inneemt;

    hybride elektrisch voertuig:

    een motorvoertuig met ten minste twee verschillende energie-omzetters en ten minste twee verschillende energie-opslagsystemen aan boord ten behoeve van de mechanische aandrijving van het voertuig, waarbij in ieder geval energie wordt geput uit een opslagvoorziening voor elektrische energie of kracht;

    inrichting:

    een bedrijf of bedrijven waarin een mobiele keuringseenheid gerechtigd is keuringen uit te voeren;

    inrichting voor indirect zicht:

    een inrichting om het aan het voertuig grenzende gebied waar te nemen dat niet rechtstreeks kan worden waargenomen, zijnde een spiegel, een camera-monitor of een andere inrichting die de bestuurder informatie over het indirecte gezichtsveld geeft;

    inschrijving:

    inschrijving in het kentekenregister bedoeld in artikel 47 van de wet;

    kampeerwagen:

    voertuig dat voorzien is van een woongedeelte met ten minste de volgende uitrusting die vast in het woongedeelte bevestigd is:

    1. tafel, die eventueel eenvoudig te verwijderen is;
    2. stoelen;
    3. slaapgelegenheid, eventueel door de stoelen om te vormen;
    4. kookvoorzieningen, en;
    5. opbergmogelijkheden;
      in ieder geval wordt als kampeerwagen aangemerkt een voertuig voor speciale doeleinden van de categorie M met subcategorie SA en een voertuig dat geregistreerd is als kampeerwagen;

    kermis- en circusvoertuig:

    voertuig, niet zijnde een voertuig op rupsbanden, dat feitelijk wordt gebruikt voor het kermis- of circusbedrijf;

    klapstoel:

    extra zitplaats om bij gelegenheid te worden gebruikt en die gewoonlijk is weggeklapt;

    klimaatregelingssysteem:

    apparatuur die hoofdzakelijk bestemd is om de luchttemperatuur en de vochtigheid in de passagiersruimte van een voertuig te doen dalen;

    lading:

    alle personen, dieren, goederen, lastdragers, alsmede zonder gebruik van gereedschap van het voertuig los te nemen laad- en losinrichtingen en voertuiguitrustingen, het reservewiel alsmede verwisselbare uitrustingsstukken daaronder niet begrepen;

    lastdrager:

    afneembare of uitschuifbare constructie die is bestemd voor het vervoer van goederen, met inbegrip van hulpmiddelen en die:

    1. aan de bumper, op de trekhaak of op het dak van een personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig is aangebracht, dan wel is geïntegreerd in de achterzijde van het voertuig,
    2. aan de achterzijde, op de trekdriehoek of trekboom van een (middenas) aanhangwagen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg is aangebracht, of
    3. uitsluitend voor het vervoer van glas, plaatmateriaal of soortgelijke goederen aan één of beide zijkanten van een bedrijfsauto of aanhangwagen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg is aangebracht;

    licht:

    inrichting voor het verlichten van de weg of het geven van een lichtsignaal aan andere weggebruikers, waaronder begrepen de achterkentekenplaatverlichting en retroreflectoren;

    ligplaats:

    de voorgeschreven ruimte om een persoon liggend in een bus, of op een draagbaar in een personenauto te vervoeren;

    lijkwagen:

    voertuig dat hoofdzakelijk bestemd is voor het vervoer van overledenen en hiertoe een speciale uitrusting heeft; in ieder geval wordt als lijkwagen aangemerkt een voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M en met carrosserietype SD en een voertuig dat geregistreerd is als lijkwagen;

    lijnmarkering:

    opvallende markering die dient om de horizontale dimensie (lengte en breedte) van een voertuig aan te geven door middel van een doorlopende lijn;

    loopvlak:

    deel van de band dat gemeten symmetrisch ten opzichte van het midden, 50 mm minder bedraagt dan de breedte in de maataanduiding van de band;

    LPG-installatie:

    het geheel van gemonteerde onderdelen dat het mogelijk maakt om als brandstof voor de voortstuwingsmotor gebruik te maken van Liquefied Petroleum Gas (LPG);

    luchtband:

    band waarin zich in normale, bedrijfsvaardige toestand gas bevindt onder een hogere spanning dan de atmosferische;

    manoeuvreerlicht:

    licht aan de zijkant van een motorvoertuig, dat wordt gebruikt voor aanvullende verlichting tijdens langzame manoeuvres;

    markeringslicht:

    licht dat op het breedste punt van het voertuig zo hoog mogelijk is aangebracht, waardoor duidelijk de totale breedte van het voertuig wordt aangegeven. Dit licht is bestemd om voor bepaalde voertuigen en aanhangwagens de breedte- en achterlichten aan te vullen door in het bijzonder de aandacht te vestigen op de omvang;

    massa ledig voertuig voor voertuigen van de voertuigcategorieën M en N:

    massa van het voertuig in rijklare toestand verminderd met 100 kg;

    massa ledig voertuig voor voertuigen van de voertuigcategorie O:

    massa van het voertuig in rijklare toestand;

    massa ledig voertuig voor voertuigen van de voertuigcategorie L:

    1. massa van het voertuig zoals vermeld in de goedkeuring; of
    2. indien niet vermeld in de goedkeuring, massa van het voertuig in rijklare toestand, verminderd met:
    • 7 kg voor voertuigen met de voertuigclassificatie L1e, L2e, L3e, L4e of L6e;
    • 100 kg voor voertuigen met de voertuigclassificatie L5e of L7e;

    massa in rijklare toestand voor voertuigen van de voertuigcategorie M en N:

    de massa van het voertuig met de brandstoftank of brandstoftanks gevuld tot ten minste 90% van zijn of hun inhoud, met inbegrip van de massa van de bestuurder (75 kg), brandstof en vloeistoffen, voorzien van de standaarduitrusting volgens de specificaties van de fabrikant en, als het voertuig daarmee is uitgerust, de massa van de carrosserie, de cabine, de koppeling, reservewielen en het gereedschap;

    massa in rijklare toestand voor voertuigen van de categorie O:

    de massa van het voertuig, met inbegrip van de brandstof en vloeistoffen, voorzien van de standaarduitrusting volgens de specificaties van de fabrikant, en, als de aanhangwagen daarmee is uitgerust, de massa van de carrosserie, extra koppelingen, reservewielen en het gereedschap;

    massa in rijklare toestand voor voertuigen van de voertuigcategorie L:

    massa van het voertuig als bedoeld in artikel 5 van verordening (EU) 168/2013;

    mechanische koppelinrichting:

    alle onderdelen en inrichtingen op onderstellen, dragende gedeelten van de carrosserie en het chassis van voertuigen, waarmee het trekkend voertuig en het getrokken voertuig met elkaar kunnen worden verbonden; tevens behoren hiertoe vaste of demontabele onderdelen voor de bevestiging, afstelling of het gebruik van de bovenvermelde koppelinrichtingen;

    middenasaanhangwagen:

    aanhangwagen waarvan de as of assen, indien gelijkmatig belast, zich dicht bij het zwaartepunt van het voertuig bevindt respectievelijk bevinden, zodat een statische verticale belasting van ten hoogste 10% van de met de technisch toegestane maximummassa van de aanhangwagen overeenkomende belasting of van 1.000 kg, waarbij de lichtste belasting van toepassing is, wordt overgebracht op het trekkende voertuig; in ieder geval wordt als middenasaanhangwagen aangemerkt een voertuig met carrosserietype DC en een voertuig dat geregistreerd is als middenasaanhangwagen;

    mistachterlicht:

    licht dat het voertuig bij dichte mist aan de achterzijde beter waarneembaar maakt;

    mistvoorlicht:

    licht dat dient voor een betere verlichting van de weg bij mist of een soortgelijke toestand van verminderd zicht;

    motorvoertuig:

    een motorrijtuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de wet;

    noodstopsignaal:

    signaal om andere weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden kenbaar te maken dat het voertuig sterk vertraagt en dat wordt gegeven door de gelijktijdige werking van alle remlichten of richtingaanwijzers;

    oplegger:

    aanhangwagen die ontworpen is om aan een opleggertrekkend voertuig of aan een dolly te worden gekoppeld en die op het trekkende voertuig of de dolly een aanzienlijke statische verticale belasting overbrengt; in ieder geval wordt als oplegger aangemerkt een voertuig met carrosserietype DA en een voertuig dat geregistreerd is als oplegger;

    opleggertrekker:

    bedrijfsauto die hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd voor het trekken van opleggers; in ieder geval wordt als opleggertrekker aangemerkt een voertuig met carrosserietype BC en een voertuig dat geregistreerd is als opleggertrekker of als trekker;

    opspatafscherming:

    inrichting die bestemd is om de verstuiving van water dat door de banden van een rijdend voertuig wordt opgeworpen, te beperken;

    opvallende markering:

    markering die dient om een voertuig meer zichtbaarheid te geven door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet tot het voertuig behorende lichtbron, waarbij de waarnemer zich nabij deze lichtbron bevindt;

    overig voertuig voor speciale doeleinden:

    motorvoertuig of aanhangwagen voor speciale doeleinden met carrosserietype SG (overige voertuigen voor speciale doeleinden) niet zijnde een caravan, gepantserd voertuig, kampeerwagen, lijkwagen, ambulance, mobiele kraan, voor rolstoel toegankelijk voertuig; in ieder geval wordt als overig voertuig voor speciale doeleinden aangemerkt een voertuig dat blijkens het kentekenregister een overig voertuig voor speciale doeleinden is;

    parkeerlicht:

    licht, bestemd om de aanwezigheid van een geparkeerd voertuig aan te geven;

    pendelas:

    samenstel van twee of meer assen in één lijn loodrecht op de lengte-as van het voertuig zodanig ingericht dat de belasting op alle wielen gelijkmatig verdeeld wordt overgebracht op het wegdek. Een samenstel van wielen op één wielnaaf wordt aangemerkt als één wiel;

    personenauto:

    voertuig op vier of meer wielen, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid of een gehandicaptenvoertuig, ingericht voor het vervoer van personen, met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend; in ieder geval wordt als personenauto aangemerkt een voertuig van de voertuigcategorie M met de voertuigclassificatie M1 en een voertuig dat geregistreerd is als personenauto;

    remlicht:

    een licht dat wordt gebruikt om de weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden kenbaar te maken dat de longitudinale beweging van het voertuig opzettelijk wordt vertraagd;

    retroreflector:

    inrichting, bestemd om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet tot dat voertuig behorende lichtbron, waarbij de waarnemer zich nabij deze lichten bevindt;

    richtingaanwijzer:

    een licht, bestemd om andere weggebruikers kenbaar te maken dat de bestuurder het voornemen heeft naar links of naar rechts van richting te veranderen;

    rijdend werktuig:

    bedrijfsauto of motorrijtuig met beperkte snelheid, ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen;

    RVV 1990:

    reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

    samenstel van voertuigen:

    trekkend voertuig met een of meer aanhangwagens;

    seriehybride voertuig:

    hybride elektrisch voertuig waarvan alleen de elektrische motor mechanisch met de wielen verbonden is;

    staaklicht:

    licht aan de achterzijde van het voertuig dat voor de bestuurder de lengte van het voertuig kenbaar maakt;

    stadslicht:

    licht dat, van de voorzijde gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt en een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig;

    stoel:

    een complete structuur met bekleding, al dan niet geïntegreerd in de carrosseriestructuur van het voertuig, die bestemd is om zitplaats te bieden aan één persoon;

    taxi:

    personenauto bestemd voor taxivervoer als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de Wet personenvervoer 2000; in ieder geval wordt als taxi aangemerkt een voertuig dat blijkens het kentekenregister een taxi is;

    technisch toegestane maximummassa:

    de door de fabrikant voor een voertuig op basis van de bouwkenmerken en de door het ontwerp bepaalde prestaties ervan vastgestelde maximummassa; de technisch toegestane maximummassa van een aanhangwagen of een oplegger omvat de statische massa die in aangekoppelde toestand op het trekkende voertuig wordt overgebracht;

    terreinvoertuig:

    voertuig van de voertuigcategorie M of N met specifieke technische kenmerken waardoor het buiten de normale wegen kan worden gebruikt;

    verlicht transparant:

    verlichting op een voertuig die uitsluitend informatie biedt over de bestemming of het gebruik van het voertuig, dan wel aanwijzingen weergeeft voor het overige wegverkeer;

    voertuig voor speciale doeleinden:

    voertuig van de voertuigcategorie M, N, of O met specifieke technische kenmerken om een functie te vervullen waarvoor speciale voorzieningen of uitrustingen vereist zijn;

    volledige contourmarkering:

    contourmarkering die de omtrek (lengte, breedte en hoogte) van een voertuig aangeeft door middel van een doorlopende lijn;

    voor rolstoelen toegankelijk voertuig:

    voertuig dat specifiek gebouwd of verbouwd is ten behoeve van een of meer personen die in hun rolstoel zitten, wanneer het voertuig op de weg rijdt; in ieder geval wordt als voor rolstoelen toegankelijk voertuig aangemerkt een voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M met voertuigclassificatie M1 en subcategorie SH en een voertuig dat geregistreerd is als een voor rolstoelen toegankelijk voertuig;

    waarschuwingsknipperlicht:

    gelijktijdige werking van alle richtingaanwijzers, bestemd om aan te geven dat het voertuig tijdelijk een bijzonder gevaar oplevert voor andere weggebruikers;

    werklicht:

    licht, bestemd voor het verlichten van een plaats waar werkzaamheden worden verricht;

    wet:

    Wegenverkeerswet 1994;

    wielbasis:

    1. ten aanzien van vóór 1 april 1983 in gebruik genomen voertuigen: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste as, van het eerste samenstel van assen of van de koppelingspen en het hart van de laatste as of het hart van het laatste samenstel van assen,
    2. ten aanzien van na 31 maart 1983 in gebruik genomen voertuigen, niet zijnde opleggers of na 28 april 2009 in gebruik genomen middenasaanhangwagens: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig,
    3. ten aanzien van na 31 maart 1983 in gebruik genomen opleggers of na 28 april 2009 in gebruik genomen middenasaanhangwagens: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen de verticale hartlijn van de koppeling en het hart van de laatste as;

    zelfsturende as:

    as die wordt gestuurd doordat, door de wrijving van de banden op het wegdek, de wielen zelfstandig een zodanige stand innemen dat zij de cirkelbaan van het voertuig volgen;

    zelfsturend asstel:

    asstel dat wordt gestuurd doordat, door de wrijving van de banden op het wegdek, de wielen zelfstandig een zodanige stand innemen dat zij de cirkelbaan van het voertuig volgen;

    zijmarkeringslicht:

    licht dat, van de zijkant gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt;

    zitbank:

    een constructie, die plaats biedt aan ten minste twee volwassenen;

    zitplaats:

    constructie, inclusief bekleding, die al dan niet een integrerend deel vormt van de constructie van het voertuig, die plaats biedt aan een volwassen persoon, met dien verstande dat de zitplaats zowel een afzonderlijke zitplaats kan zijn als een gedeelte van een bank dat plaats biedt aan één persoon en die afhankelijk van de richting als volgt wordt aangeduid:

    1. naar voren gerichte zitplaats: zitplaats die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die zodanig naar de voorkant van het voertuig is gericht dat het middenlangsvlak van de zitplaats een hoek van minder dan + 10° of – 10° vormt met het middenlangsvlak van het voertuig;
    2. naar achteren gerichte zitplaats: zitplaats die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die zodanig naar de achterkant van het voertuig is gericht dat het middenlangsvlak van de zitplaats een hoek van minder dan + 10° of – 10° vormt met het middenlangsvlak van het voertuig;
    3. zijdelings gerichte zitplaats: zitplaats die, gelet op haar gerichtheid ten opzichte van het middenlangsvlak van het voertuig, niet voldoet aan de onderdelen 1 en 2.