Hoofdstuk 6 Voorschriften keuringen

Actuele regelgeving

  1. 24.

    hanteren voorschriften

    1. De erkenninghouder neemt in verband met de periodieke keuring van motorrijtuigen en aanhangwagens het bij en krachtens de wet bepaalde in acht.
    2. Keuringen worden slechts verricht in een keuringsplaats waarvoor de erkenning geldt.
    3. In de keuringsplaats worden slechts keuringen verricht van voertuigen waarvoor de erkenning voor de betrokken keuringsplaats geldt.
    4. Met de mobiele keuringseenheid worden in een keuringsplaats of inrichting slechts keuringen verricht van voertuigen waarvoor de erkenning voor de betrokken keuringseenheid geldt.
    5. Het boekwerk “Regelgeving APK” wordt door de erkenninghouder beschikbaar gesteld aan de keurmeester; de erkenninghouder draagt er tevens zorg voor dat de voorgeschreven boekwerken tot en met de laatste wijziging zijn bijgewerkt.
    6. Aan een bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen worden de in de artikelen 25 tot en met 32 opgenomen voorschriften verbonden.
    7. Aan een erkenning worden de in de artikelen 15 tot en met 19 en 24 tot en met 33 opgenomen voorschriften verbonden.
  2. 25.

    hanteren voorschriften

    1. De keurmeester neemt in verband met de periodieke keuring van motorrijtuigen en aanhangwagens het bij en krachtens de wet bepaalde in acht.
    2. De keurmeester controleert of hij de beschikking heeft over het boekwerk “Regelgeving APK” voordat hij een keuring gaat verrichten.
  3. 26.

    bevoegdheidspas en pincode

    1. Op verzoek van de aanvrager van een keuringsrapport wordt de bevoegdheidspas ter inzage gegeven.
    2. De keurmeester draagt er zorg voor dat de aan hem ten behoeve van datacommunicatie verstrekte pincode niet toegankelijk is voor anderen.
  4. 27.

    procedure uitvoeren keuring

    1. Indien bij de erkenninghouder een keuringsrapport wordt aangevraagd, stelt deze, na overleg met de aanvrager, onverwijld het tijdstip voor de keuring vast. De keuring vindt zo spoedig mogelijk na de aanvraag plaats.
    2. Er wordt geen keuring verricht dan nadat door de aanvrager het goedkeuringsdocument als bedoeld in artikel 3.15, tweede lid en derde lid, van de Regeling voertuigen is overgelegd, indien in het kentekenregister of op het kentekenbewijs bij bijzonderheden is vermeld ‘Taxi, zie goedkeuringsdocument’ of ’OV-auto, zie goedkeuringsdocument’.
    3. Er wordt geen keuring verricht dan nadat het kentekenregister is geraadpleegd ten aanzien van:
      1. het voor het voertuig opgegeven kenteken;
      2. het identificatienummer van het ter keuring aangeboden voertuig, en
      3. de datum eerste toelating van het voertuig.
    4. Er wordt geen keuring verricht en de aanvrager van een keuringsrapport wordt naar de Dienst Wegverkeer doorverwezen indien:
      1. het raadplegen van het kentekenregister niet mogelijk is door een onjuiste combinatie van het kenteken en de laatste vier posities van het voertuigidentificatienummer of indien de laatste vier posities van het voertuigidentificatienummer niet bekend zijn;
      2. het voertuigidentificatienummer van het voertuig niet in overeenstemming is met het kentekenregister;
      3. blijkens het kentekenregister de beperkte inschrijvingsduur van de tenaamstelling verstreken is, waardoor de tenaamstelling ingevolge artikel 51a, vijfde lid, van de wet, is vervallen.
    5. Er wordt geen keuring verricht dan nadat door de aanvrager de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs is overlegd, indien het voertuig is voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep AA, CD, CDJ dan wel de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers.
    6. In geval van een aanvraag voor een keuringsrapport voor voertuigen waarbij het om technische redenen als bedoeld in artikel 57, vijfde lid, van de Aanvullende permanente eisen, niet mogelijk is het voertuig op een rollenremtestbank of platenremtestbank te remmen, dient een deugdelijke, goed functionerende remvertragingsmeter in de keuringsruimte aanwezig te zijn, waarvoor een geldig certificaat van eerste keuring of herkeuring als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Regeling voertuigen is afgegeven.
    7. Indien het te keuren motorrijtuig een bedrijfsauto is waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3.500 kg die is voorzien van een drukluchtremsysteem en een vangmuilkoppeling ten behoeve van een aanhangwagen dienen twee manometers met slangen en aansluitstukken voor drukmeetpunten alsmede aansluitkoppen voor aanhangwagenremsystemen in de keuringsruimte aanwezig te zijn, waarmee de druk in drukluchtremsystemen en in gasveersystemen kan worden gemeten, voorzien van een geldig certificaat van eerste keuring of herkeuring als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Regeling voertuigen.
    8. Indien het te keuren motorrijtuig een bedrijfsauto is waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3.500 kg die is voorzien van een drukluchtremsysteem en een schotelkoppeling ten behoeve van een aanhangwagen dienen in de keuringsruimte aanwezig te zijn:

      • twee manometers met slangen en aansluitstukken voor drukmeetpunten alsmede aansluitkoppen voor aanhangwagenremsystemen, waarmee de druk in drukluchtremsystemen en in gasveersystemen kan worden gemeten, voorzien van een geldig certificaat van eerste keuring of herkeuring als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Regeling voertuigen;
      • een stalen rei met een lengte van ten minste 0,90 m; en
      • een hulpstuk waarmee de speling op de sluiting van 2 inch koppelingsschotels meetbaar gemaakt kan worden.
  5. 28.

    keuringsruimte en personeel

    1. De keuring wordt verricht in een keuringsruimte met apparatuur die aan de in de artikelen 7, 9, 11, 12, 13 en indien van toepassing artikel 27, zesde, zevende en achtste lid, gestelde eisen voldoet. Van deze eis kan worden afgeweken indien volgens de wijze van keuren zoals vermeld in hoofdstuk 5 van de Regeling voertuigen een rij- of remproef buiten de keuringsruimte wordt uitgevoerd, mits de buitentemperatuur binnen het temperatuurgebied van de verplichte apparatuur ligt.
    2. Bij de keuring wordt het voertuig tevens gecontroleerd aan de hand van de in bijlage 1 opgenomen reparatieadviespunten.
    3. De keuring wordt verricht door een keurmeester.
  6. 29.

    keuringsrapport

    1. Het resultaat van elke keuring wordt door de keurmeester schriftelijk vastgelegd op het keuringsrapport.
    2. Voor dit keuringsrapport wordt gebruikgemaakt van het door de Dienst Wegverkeer vastgestelde model keuringsrapport, dat bekend is gemaakt in de Staatscourant.
  7. 30.

    procedure afmelden

    1. Na afloop van elke keuring wordt het bepaalde in het tweede lid tot en met het vijfde lid in acht genomen alvorens het keuringsrapport af te geven aan de aanvrager.
    2. Alvorens tot het afmelden van een voertuig als bedoeld in het derde lid wordt overgegaan, wordt door de keurmeester die het voertuig afmeldt aan de hand van het kentekenregister nagegaan of de keuring van dat voertuig heeft plaatsgevonden.
    3. Het voertuig wordt door middel van datacommunicatie bij de Dienst Wegverkeer afgemeld onder verstrekking van de volgende gegevens:
      1. het pasnummer en de pincode van de keurmeester;
      2. het kenteken van het voertuig;
      3. de meldcode, gevormd door de laatste vier cijfers van het voertuigidentificatienummer, letters en leestekens buiten beschouwing gelaten;
      4. indien het een voertuig betreft dat is voorzien van een kilometerteller, de afgelezen kilometerstand van het voertuig;
      5. het resultaat van de keuring;
      6. de bevestiging dat de in het tweede lid voorgeschreven controleverplichting is nagekomen, waarna acceptatie van de afmelding wordt weergegeven;
      1. de transactiecode en het tijdstip van de afmelding;
      2. indien het voertuig is goedgekeurd: tevens een nieuwe vervaldatum;
      3. indien het voertuig aan een steekproef moet worden onderworpen: tevens de einde wachttijd van de steekproef;
    4. Op het keuringsrapport moet schriftelijk worden vermeld:
      1. het pasnummer als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, en het bepaalde in de onderdelen b en c;
      2. de afgelezen kilometerstand indien het voertuig is voorzien van een kilometerteller;
      3. het resultaat van de keuring;
      4. de transactiecode, en uitsluitend indien de schriftelijke invulling rechtstreeks plaatsvindt uit het door de Dienst Wegverkeer bijgehouden kentekenregister de tekst ‘afdruk RDW’;
      5. indien het voertuig is goedgekeurd de vervaldatum, waarbij de maand van de vervaldatum voluit in letters is geschreven;
      6. indien het voertuig aan een steekproef wordt onderworpen de einde wachttijd van de steekproef;
      7. de naam, adresgegevens en het keuringsinstantienummer van de erkenninghouder.
    5. Alvorens het keuringsrapport wordt ondertekend, wordt door de keurmeester nagegaan of het rapport volledig is ingevuld.
    6. Door een keurmeester worden niet meer dan vier voertuigen per zestig minuten afgemeld.
    7. Het keuringsrapport wordt onverwijld aan de aanvrager afgegeven indien het voertuig niet aan een steekproef wordt onderworpen.
    8. Indien het voertuig aan een steekproef wordt onderworpen, deelt de erkenninghouder dit aan de aanvrager mede en houdt de erkenninghouder het keuringsrapport onder zich voor een periode van ten hoogste negentig minuten, vanaf het tijdstip van afmelding.
  8. 31.

    steekproef

    1. Indien het voertuig blijkens mededeling van de Dienst Wegverkeer aan een steekproef wordt onderworpen, gelden de in het tweede tot en met zesde lid genoemde verplichtingen.
    2. In de staat van het voertuig dat aan een steekproef wordt onderworpen, worden gedurende negentig minuten na het tijdstip van afmelding geen wijzigingen aangebracht en worden geen metingen met betrekking tot het voertuig verricht.
    3. De erkenninghouder wijst de eigenaar of houder van het voertuig dat aan een steekproef wordt onderworpen er op dat deze verplicht is het voertuig voor de uitvoering van de steekproef beschikbaar te houden.
    4. Voorafgaande aan de steekproefherkeuring wordt het keuringsrapport door de erkenninghouder of de keurmeester aan de daartoe aangewezen functionaris van de Dienst Wegverkeer overhandigd. Door de erkenninghouder of de keurmeester wordt indien artikel 27, tweede lid, van toepassing is, tevens het in dat artikel bedoelde goedkeuringsdocument overhandigd.
    5. Aan een steekproef wordt alle medewerking verleend en de terzake door de Dienst Wegverkeer gegeven aanwijzingen worden in acht genomen. Onder alle medewerking wordt in ieder geval verstaan dat:
      1. bij uitsluiting de keurmeester, die het voertuig aan een keuring heeft onderworpen, aanwezig is vanaf het moment dat de mededeling, bedoeld in het eerste lid, is gedaan en zelf feitelijke assistentie verleent bij het uitvoeren van de steekproef;
      2. indien de keuring verricht is door een mobiele keuringseenheid tevens het voertuig, van waaruit door de mobiele keuringseenheid de keuringen zijn verricht, bij de steekproef aanwezig is;
      3. het voertuig niet uit de keuringsplaats wordt verwijderd gedurende de steekproef;
      4. de desbetreffende ruimte en apparatuur gedurende de steekproef beschikbaar worden gesteld.
    6. Indien bij de steekproef wordt vastgesteld dat het voertuig niet voldoet aan de keuringseisen, het voertuig onterecht is af- of goedgekeurd, het keuringsrapport onjuist of onvolledig is ingevuld of indien wordt geconstateerd dat de voorschriften met betrekking tot de steekproef niet in acht zijn genomen, wordt door de daartoe aangewezen functionaris van de Dienst Wegverkeer een steekproefcontrolerapport opgemaakt dat door deze wordt ondertekend alsmede door de keurmeester.
  9. 32.

    onttrekken aan steekproef

    1. Indien de eigenaar of houder van het voertuig dat aan een steekproef wordt onderworpen met het voertuig wegrijdt, wordt dit onverwijld door de keurmeester aan de Dienst Wegverkeer( RDW APK-Centrum Nederland) gemeld. De eventuele goedkeuring wordt door de Dienst Wegverkeer ingetrokken en het voertuig kan niet meer worden afgemeld.
    2. De erkenninghouder draagt er zorg voor dat de eigenaar of houder van een weggereden voertuig op de hoogte is gesteld van de verplichting om een nieuwe aanvraag van een keuringsrapport bij de Dienst Wegverkeer in te dienen.
  10. 33.

    anonieme keuring

    De Dienst Wegverkeer voert steekproefsgewijs anonieme keuringen uit door middel van het ter keuring aanbieden van een voertuig in het kader van het toezicht op de erkenning en het verrichten van keuringen. Wanneer blijkt dat:

    1. de keuring niet in de keuringsplaats wordt uitgevoerd;
    2. de mobiele keuringseenheid niet aanwezig is;
    3. de keuring niet met de vereiste apparatuur wordt uitgevoerd;
    4. de keuring niet door een persoon die bevoegd is voertuigen aan een keuring te onderwerpen wordt uitgevoerd; of
    5. het resultaat van de keuring niet aan de Dienst Wegverkeer wordt gemeld;
      wordt terstond begonnen met een procedure tot intrekking van de erkenning en keuringsbevoegdheid.

Vervallen regelgeving

  • 24a.

    Waarschuwing vervallen: 20-05-2018

    alcoholslot

    1. Indien het te keuren motorrijtuig blijkt te zijn voorzien van een alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet, kan de keurmeester gebruik maken van de overbruggingsfunctie als bedoeld in artikel 4 van bijlage XXII bij de Regeling voertuigen
    2. In het in het eerste lid bedoelde geval wordt door of namens de deelnemer aan het alcoholslotprogramma aan de erkenninghouder als bedoeld in artikel 132f, eerste lid, van de wet daartoe de in artikel 4 van bijlage XXII bij de Regeling voertuigen bedoelde code aangevraagd.
    3. Nadat het motorrijtuig is gekeurd, wordt de overbruggingsfunctie door de keurmeester beëindigd.